ECLI:NL:RBDHA:2025:16382 | zp Roermond | 03-09-2025 | NL25.39300 | BEROEP GEGROND — INVRIJHEIDSTELLING
1. Feiten en procesverloop
Eiser is geboren in [1988] te Helmond, heeft de Marokkaanse nationaliteit en heeft zijn gehele leven in Nederland gewoond. Bij meeromvattende beschikking van 29 maart 2024 trok de minister de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in met terugwerkende kracht tot 23 mei 2021. Die beschikking omvatte tevens een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, een signaleringsbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar. Eiser heeft bezwaar gemaakt; ten tijde van de zitting was nog niet op dat bezwaar beslist, ondanks herhaalde verzoeken van eiser en overschrijding van de beslistermijn. Op 10 januari 2025 wees de voorzieningenrechter Rb. Den Haag zp Middelburg eisers verzoek om voorlopige voorziening af, zodat eiser sindsdien geen rechtmatig verblijf heeft.
Eiser was eerder, op 6 januari 2025, in bewaring gesteld op grond van art. 59 lid 1 sub a Vw. De rechtmatigheid van die maatregel werd door Rb. Den Haag zp Middelburg beoordeeld in uitspraken van 20 januari 2025, 21 maart 2025, 6 mei 2025 en 17 juni 2025 — steeds rechtmatig bevonden. Op 23 juni 2025 hief de minister die maatregel ambtshalve op na een DT&V-belangenafweging.
Op 19 augustus 2025 werd eiser opnieuw aangehouden nadat hij was gedagvaard en vervolgens door de officier van justitie was heengezonden. Dezelfde dag legde de minister de thans bestreden bewaringsmaatregel op, eveneens op grond van art. 59 lid 1 sub a Vw, met als doel de verwijdering naar Marokko te verzekeren. Grondslag: het terugkeerbesluit van 29 maart 2024. De minister voerde één zware grond en vier lichte gronden op; één lichte grond is ter zitting ingetrokken. Op 8 juli 2025 verkreeg de minister een nationaliteitsbevestiging van de Marokkaanse autoriteiten. Op 22 augustus 2025 vond een vertrekgesprek plaats; op 25 augustus 2025 verzocht de minister de Marokkaanse autoriteiten om een laissez-passer (LP); op 27 augustus 2025 werd een presentatie voorgesteld.
Eiser stelde op 20 augustus 2025 beroep in. De zitting vond op 2 september 2025 plaats; geen tolk werd opgeroepen omdat eiser in Nederland is geboren en de Nederlandse taal beheerst. Uitspraak: 3 september 2025.
2. Standpunt eiser
Eiser voerde als meest verstrekkende beroepsgrond aan dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig is omdat het terugkeerbesluit van 29 maart 2024 geen enkele overweging bevat over het beginsel van non-refoulement of de in art. 5 Terugkeerrichtlijn (RL 2008/115) genoemde belangen. Eiser betoogde daartoe:
- De bewaringsrechter is op grond van Unierecht verplicht te beoordelen of het terugkeerbesluit dat aan de maatregel ten grondslag ligt, ook daadwerkelijk uitvoerbaar is — dat wil zeggen: of non-refoulement zich niet verzet tegen verwijdering.
- In de intrekkingsprocedure van 29 maart 2024 is nooit inhoudelijk gevraagd naar refoulementrisico’s; een bestuurlijke heroverweging heeft evenmin plaatsgevonden (bezwaar nog steeds onbeslist).
- Het refoulementverbod is absoluut en moet worden gewaarborgd ongeacht of een asielaanvraag is ingediend.
- Eiser vreest bij terugkeer een schending van art. 3 EVRM: de mogelijkheden tot ondersteuning van zijn verslavingsproblematiek (thans in remissie) en psychische zorg zijn in Marokko zodanig gebrekkig dat terugkeer een reëel risico meebrengt.
- Eiser verwees ter onderbouwing naar de conclusie van A-G Spielmann van 1 augustus 2025 (ECLI:EU:C:2025:625) in de zaak Adrar (C-313/25 PPU) en naar eerdere uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats.
3. Standpunt verweerder
De minister verweerde zich primair op grond van vaste Afdelingsjurisprudentie: de bewaringsrechter is uitsluitend bevoegd vast te stellen of een rechtsgeldig terugkeerbesluit bestaat; inhoudelijke beoordeling van dat terugkeerbesluit is niet aan de orde. Aan die voorwaarde is voldaan. Eiser heeft — na afwijzing van de voorlopige voorziening — geen rechtmatig verblijf en heeft een terugkeerverplichting.
Subsidiair voerde de minister aan dat uit eisers verklaringen tijdens het gehoor in de intrekkingsprocedure en in het bewaringsgehoor geen indicaties blijken van een reëel refoulementrisico bij terugkeer naar Marokko. Indien eiser wél een dergelijke vrees heeft, staat het hem vrij een asielaanvraag in te dienen.
De minister betwistte voorts dat het verweer van rechtbank zp Middelburg — die het terugkeerbesluit bij de eerdere maatregel steeds als geldig aanvaardde — gebonden werking zou missen; die uitspraken houden immers al in dat het terugkeerbesluit als grondslag kan dienen.
4. Overwegingen rechter
4.1 Afwijking van Afdelingsjurisprudentie
De rechtbank is ermee bekend dat de bewaringsrechter op grond van vaste Afdelingsjurisprudentie alleen mag vaststellen of er een rechtsgeldig terugkeerbesluit is en dit terugkeerbesluit niet mag beoordelen, tenzij de bewaringsrechter ook is aangezocht om tegelijkertijd het beroep tegen het terugkeerbesluit te behandelen. De rechtbank kan zich niet vinden in deze jurisprudentie en leidt nu juist uit het Unierecht af dat de bewaringsrechter die de rechtmatigheid van een maatregel die strekt tot verwijdering moet beoordelen, verplicht is om te beoordelen of het terugkeerbesluit dat de grondslag van de maatregel is kan worden uitgevoerd. Indien de verwijdering niet kan worden uitgevoerd, kan de maatregel immers niet tot de verwijdering strekken. Als het met de maatregel beoogde doel niet kan worden bereikt door de maatregel, is deze maatregel van aanvang af onrechtmatig en is de bewaringsrechter verplicht om de vreemdeling onmiddellijk in vrijheid te stellen.
De rechtbank verwijst ter onderbouwing naar de verwijzingsuitspraak van dezelfde rechtbank en zittingsplaats van 6 mei 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:7570) in de zaak Adrar (C-313/25 PPU) en naar de conclusie van A-G Spielmann. De rechtbank ziet geen aanleiding de uitspraak aan te houden in afwachting van het Hof-arrest, dat op 4 september 2025 (één dag later) zou worden gewezen.
4.2 Inhoud van het arrest Ararat en de Afdelingsuitspraak van dezelfde dag
De rechtbank citeert uitvoerig uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van dezelfde dag, ECLI:NL:RVS:2025:4178, waarin de Afdeling het arrest Ararat (HvJEU 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892) uitlegt:
Het Hof heeft in punt 38 van het arrest Ararat overwogen dat in een situatie zoals die van appellanten, artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest, de nationale autoriteit verplicht om vóór de uitvoering van het terugkeerbesluit een geactualiseerde refoulementbeoordeling te maken. Een dergelijke beoordeling moet onderscheiden en autonoom zijn ten opzichte van de refoulementbeoordeling die de nationale autoriteit ten tijde van de vaststelling van het terugkeerbesluit heeft verricht. Ook moet de geactualiseerde refoulementbeoordeling de nationale autoriteit in staat stellen om zich ervan te vergewissen dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.
Uit hetzelfde arrest leidt de Afdeling af dat de rechter op basis van concrete aanwijzingen uit het dossier ambtshalve nagaat of een mogelijke non-refoulementschending aan de orde is die noopt tot een geactualiseerde beoordeling. Dat is een kwestie van aanvulling van rechtsgronden op grond van art. 8:69 lid 2 Awb.
4.3 Toepassing op eerste terugkeerbesluiten
De rechtbank realiseert zich dat Ararat is gewezen in een procedure met deels afwijkende feiten. Zij oordeelt echter dat de kernverplichting die uit dat arrest voortvloeit — het waarborgen van non-refoulement — ook geldt bij eerste terugkeerbesluiten, zoals zij eerder had geoordeeld in ECLI:NL:RBDHA:2025:6521:
De rechtbank leidt echter uit artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5 van deze richtlijn en met artikel 19, lid 2, en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en de uitleg van het Unierecht in het arrest Ararat af dat de verplichting voor de rechter om ambtshalve een eventuele schending van het beginsel van non-refoulement vast te stellen die voortvloeit uit de uitvoering van een terugkeerbesluit ziet op de beoordeling van elk terugkeerbesluit en — in voorkomend geval — ook op de rechtmatigheidsbeoordeling van op grond van een terugkeerbesluit gestoelde bewaringsmaatregel.
4.4 Vaststelling: ontbreken non-refoulementbeoordeling in terugkeerbesluit
De rechtbank stelt vast dat in de meeromvattende beschikking van 29 maart 2024 geen enkele overweging is gewijd aan het beginsel van non-refoulement en de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen. In de hoorzitting die hieraan is voorafgegaan is hier ook niet naar gevraagd. Na de motivering van de intrekking werd volstaan met de mededeling dat “een vreemdeling die geen recht meer heeft op verblijf in Nederland, een terugkeerbesluit krijgt.” De rechtbank gaat ervan uit dat de beoordeling ook daadwerkelijk niet is gemaakt.
De rechtbank verwerpt het verweer dat deze beoordeling al impliciet heeft plaatsgevonden in de eerdere bewaringsuitspraken van zp Middelburg: die uitspraken volgden de (inmiddels bestreden) Afdelingslijn en bevatten geen inhoudelijke beoordeling van de uitvoerbaarheid van het terugkeerbesluit.
4.5 Geen eigen inhoudelijke beoordeling door rechtbank; terugverwijzing
De rechtbank zal deze inhoudelijke beoordeling niet zelf verrichten in de onderhavige procedure omdat de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt en niet kan vaststellen of de verwijdering in strijd is met het refoulementverbod. Verweerder zal eiser nader de gelegenheid moeten bieden om zijn vrees te onderbouwen, waarbij de rechtbank overweegt dat dit bevragen en vervolgens beoordelen van de verklaringen plaatsvindt in de terugkeerprocedure.
Daarbij benadrukt de rechtbank dat de minister niet kan volstaan met eiser te wijzen op de mogelijkheid een asielaanvraag in te dienen: het Hof heeft in Ararat verduidelijkt dat een derdelander geen asielaanvraag hoeft in te dienen om beschermd te zijn tegen refoulement, omdat de verplichtingen van RL 2008/115 losstaan van die mogelijkheid.
4.6 Waar moet de beoordeling worden neergelegd?
De rechtbank overweegt dat het van de concrete feiten en omstandigheden afhankelijk zal zijn of een aanvullend terugkeerbesluit moet worden genomen met daarin een inhoudelijke motivering ten aanzien van het beginsel van non-refoulement en/of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen, of dat kan worden volstaan met het in de bewaringsmaatregel benoemen dat verweerder zich hiervan heeft vergewist en — kenbaar — motiveert dat het eerder vastgestelde terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat een inhoudelijke beoordeling zal moeten worden neergelegd in een (aanvullend) terugkeerbesluit en niet in een bewaringsmaatregel. Een bewaringsmaatregel behelst geen vaststelling van onrechtmatig verblijf en kan terugkeerverplichting in het leven roepen. Indien een dergelijke maatregel wordt opgeheven, kan deze ook niet dienen als grondslag voor een mogelijke opvolgende bewaringsmaatregel.
4.7 Afwijking van rechtsoverweging 13.9 ABRvS 2025:4178
De rechtbank volgt bewust niet de overweging van de Afdeling in ECLI:NL:RVS:2025:4178 dat de rechtbank in een uitspraak niet kenbaar hoeft te maken dat zij een refoulementbeoordeling heeft verricht als zij concludeert dat non-refoulement gewaarborgd is. Ook als hierover geen gronden zijn aangevoerd is het essentieel voor beide partijen en eventuele derden dat de rechtbank haar uitspraken motiveert en daarin ook uitlegt hoe zij tot haar beslissing komt. De rechtbank overweegt hierbij dat de rechtbank, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod, anders dan de Afdeling, in beginsel geen onderscheid maakt tussen de situatie dat verweerder wel en de situatie dat verweerder geen (geactualiseerde) refoulementbeoordeling heeft gemaakt.
5. Conclusie en gevolgen
De rechtbank concludeert dus dat de maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig is geweest omdat verweerder voorafgaand aan oplegging van de maatregel zich niet heeft vergewist of het eerder vastgestelde terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd of dat eerst nader moet worden onderzocht of het beginsel van non-refoulement en/of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen in de weg staan aan verwijdering en daarmee aan de inbewaringstelling die strekt tot het verzekeren van de verwijdering.
- Beroep: gegrond
- Maatregel: onmiddellijk opgeheven; onmiddellijke invrijheidstelling gelast
- Schadevergoeding: €1.500 (standaardtarief; aantal dagen × dagvergoeding)
- Proceskosten: €1.814 (1 punt beroepschrift + 1 punt zitting, waarde per punt €907, wegingsfactor 1)
- Rechtsmiddel: hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak binnen één week na bekendmaking
6. Noten
- Grondslag bewaring | Art. 59 lid 1 sub a Vw |
- EU-richtlijn | Art. 5 RL 2008/115 (Terugkeerrichtlijn) |
- EU Handvest | Art. 4 (verbod foltering), art. 7 (privéleven), art. 19 lid 2 (refoulement), art. 47 (effectieve rechtsbescherming) |
- EVRM | Art. 3 (door eiser aangevoerd) |
- Aanvulling rechtsgronden | Art. 8:69 lid 2 Awb |
- HvJEU Ararat | ECLI:EU:C:2024:892 (17 oktober 2024) |
- HvJEU Adrar | ECLI:EU:C:2025:647 (4 september 2025; gewezen daags na deze uitspraak) |
- A-G Spielmann | ECLI:EU:C:2025:625 (1 augustus 2025; door eiser aangevoerd) |
- ABRvS dezelfde dag | ECLI:NL:RVS:2025:4178 |
- Verwijzingsuitspraak Adrar | ECLI:NL:RBDHA:2025:7570 (Rb. Den Haag zp Roermond 6 mei 2025) |
- Eerdere uitspraak zp Roermond | ECLI:NL:RBDHA:2025:6521 (17 april 2025) |
- ABRvS (Afdelingslijn bewaringsrechter) | ECLI:NL:RVS:2023:4578 (12 december 2023) |