HB: Telehoren op zitting. Gehoor 1 geen tolk, gehoor 2 afstand. Geen termijnoverschrijding

RvS AbRS | 03-09-2025 | 202504525/1/V3 (HB van Rb. Den Haag, zp Utrecht, NL25.30922) | HOGER BEROEP ONGEGROND | ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:4170

Feiten en procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Op 11 juli 2025 stelde appellant beroep in. Op 21 juli 2025 opende de rechtbank de behandeling ter zitting via videoverbinding (dag 10 na beroepsindiening). Appellant verscheen via videoverbinding; zijn gemachtigde was aanwezig. Omdat appellant pas bij aanvang van de zitting bevestigde dat hij die wilde bijwonen, was geen tolk beschikbaar. Na een poging om de zitting zonder tolk te laten plaatsvinden schorste de rechtbank de behandeling. Op 28 juli 2025 heropende de rechtbank de zitting; appellant diende voorafgaand een afstandsverklaring in en wenste niet aanwezig te zijn. Bij uitspraak van 1 augustus 2025 verklaarde Rb. Den Haag zp Utrecht het beroep ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling. Uitspraak Afdeling op 3 september 2025.

Standpunt appellant

Appellant klaagt (eerste grief) dat de zitting bij de rechtbank ten onrechte niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift heeft plaatsgevonden, in strijd met artikel 94, vierde lid, Vw. Overige grieven zijn inhoudelijk van aard.

Overwegingen Afdeling

De Afdeling verwerpt de eerste grief. Op grond van artikel 94, vierde lid, Vw vindt de zitting uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift plaats. De termijn wordt onrechtmatig als geen begin is gemaakt met het horen van appellant (ECLI:NL:RVS:2005:AT4828). Als bij aanvang geen tolk beschikbaar is, mag de rechtbank het onderzoek schorsen nadat met het gehoor een begin is gemaakt, mits appellant binnen een redelijke termijn alsnog in persoon wordt gehoord (ECLI:NL:RVS:2009:BK8694; ECLI:NL:RVS:2014:1968).

Op 21 juli 2025 — dag 10, dus binnen de termijn — is een begin gemaakt met het horen van appellant. Vervolgens is appellant binnen een redelijke termijn opnieuw opgeroepen. Artikel 94, vierde lid, Vw is daarmee nageleefd. De overige grieven voldoen niet aan het vereiste van artikel 91, tweede lid, Vw: zij bevatten geen vragen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming beantwoord moeten worden. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden de bewaring onrechtmatig te achten.

Conclusie en gevolgen

Hoger beroep ongegrond. Uitspraak rechtbank bevestigd. Geen proceskostenveroordeling. Geen verder rechtsmiddel.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder