HB: vergoeding te late omzetting: terugrekenen vanaf 1ste dag dat omgezet had kunnen worden

InstantieRaad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
Datum05-03-2026
ECLIECLI:NL:RVS:2026:1170
ZaaknummerBRS.25.001154
TypeVreemdelingenrecht, artikel 59b lid 1 onder a en b en artikel 106 lid 1 Vw 2000
DictumHoger beroep gegrond, beroep gegrond

Feiten en procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000, met de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d en de lichte gronden 4a, 4c en 4d; in beroep betwistte hij de gronden 3b en 3c. Op 15 april 2025 was een terugkeerbesluit genomen. Betrokkene trok op 8 augustus 2025 zijn asielaanvraag in; de minister zette de maatregel pas op 12 augustus 2025 om. Bij uitspraak van 18 augustus 2025 (NL25.35818) verklaarde de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, het beroep gegrond en kende schadevergoeding toe.

Standpunt minister (appellant): de rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat een feitelijke vaststelling van een zware grond niet kan volstaan en dat de motivering onvoldoende is toegespitst. Op de zitting erkende hij dat hij twee dagen te laat heeft omgezet en bood daarvoor schadevergoeding aan.

Standpunt betrokkene: de minister heeft ten onrechte geen lichter middel toegepast en te veel gewicht toegekend aan het niet naleven van de vertrekplicht, omdat zijn vorige gemachtigde hem onjuist had geïnformeerd over de vertrektermijn.

Overwegingen Afdeling

  • De eerste grief slaagt: ook met een feitelijke vaststelling kan aan het vereiste van individueel motiveren worden voldaan (ECLI:NL:RVS:2025:5663, onder 2).
  • De tweede grief slaagt ook. Voor artikel 59b, eerste lid, onder a of b, Vw 2000 moeten zich twee gronden voordoen (artikel 5.1c Vb 2000); de minister heeft onder meer de zware gronden 3a en 3c vermeld.
  • Grond 3a: terecht vastgesteld met de toelichting dat betrokkene heeft verklaard geen identificerende documenten te hebben en zonder reisdocumenten naar Nederland te zijn gereisd.
  • Grond 3c: terecht vastgesteld met de toelichting dat op 15 april 2025 een terugkeerbesluit is genomen en dat betrokkene de vertrekplicht niet is nagekomen. Dat hij een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend, staat er niet aan in de weg dat de minister dit mede aan de bewaring ten grondslag legt: hij mag betekenis toekennen aan gedragingen in de periode vóór de inbewaringstelling.
  • De minister mocht dus met een feitelijke toelichting volstaan en heeft deugdelijk gemotiveerd dat uit deze gronden in beginsel een risico op onderduiken volgt.
  • Lichter middel: terecht niet toegepast. Het gedrag van betrokkene gaf daartoe geen aanleiding, hij is eerder met onbekende bestemming vertrokken en heeft geen vaste woon- of verblijfplaats of middelen van bestaan. Dat hij dacht dat zijn vertrektermijn nog liep, neemt het onttrekkingsrisico niet weg.
  • Ambtshalve toets, kernoverweging: de omzetting was twee dagen te laat, want na de intrekking van de asielaanvraag op 8 augustus 2025 had die uiterlijk op 10 augustus 2025 moeten plaatsvinden (ECLI:NL:RVS:2025:6279, onder 3.2), terwijl dat pas op 12 augustus 2025 gebeurde. De maatregel is echter onrechtmatig vanaf de dag dat de wettelijke grondslag niet meer van toepassing is, dus vanaf 8 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6279, onder 3.4). Betrokkene heeft daarom recht op schadevergoeding van 8 tot en met 12 augustus 2025, en niet slechts over twee dagen.

Conclusie en gevolgen

  • Het hoger beroep van de minister is gegrond; de uitspraak van de rechtbank van 18 augustus 2025 is vernietigd.
  • Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig.
  • Schadevergoeding van EUR 500,00 over de periode van 8 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 op grond van artikel 106, eerste lid, Vw 2000, ten laste van de Staat, te betalen door de griffier van de Raad van State.
  • De minister moet de proceskosten voor het beroep vergoeden tot een bedrag van EUR 1.868,00.

Noten

  1. ECLI:NL:RVS:2025:5663, onder 2 (ABRvS, 25 november 2025): een feitelijke vaststelling kan volstaan voor individueel motiveren.
  2. ECLI:NL:RVS:2025:6279, onder 3.2 en 3.4 (ABRvS, 22 december 2025): omzettingstermijn en het moment vanaf wanneer de maatregel onrechtmatig is.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder