Arnhem: gehoor 59b correct, ook al gaat het over bewaring, niet over asiel

InstantieRechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem)
Datum23-03-2026
ECLIECLI:NL:RBDHA:2026:6370
ZaaknummerNL26.12399
TypeVreemdelingenrecht (art. 59b lid 1 aanhef en onder a en b Vw 2000)
DictumBeroep ongegrond

Feiten en procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2026 legde de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000 op. Eiser diende op 4 maart 2026 een asielaanvraag in; het nader gehoor vond plaats op 13 maart 2026. De zitting was op 17 maart 2026 via beeldverbinding.

Standpunt eiser: Eiser voert primair aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht (art. 8:42 Awb en art. 8.4 Procesreglement bestuursrecht), omdat het verslag van het nader gehoor te laat is ingediend. Daarnaast betoogt eiser dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid omdat het gehoor en de motivering uitsluitend zagen op het risico dat hij niet uit eigen beweging zou terugkeren; hij verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026. Subsidiair stelt eiser dat de minister ten onrechte niet heeft beoordeeld of in zijn geval een uitzondering geldt op de regel dat zicht op uitzetting bij artikel 59b-bewaring niet gemotiveerd hoeft te worden.

Standpunt minister: De minister stelt dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig zijn ingediend, dat het gehoor en de motivering wel degelijk waren toegespitst op de asielaanvraag en het onttrekkingsrisico, en dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000.

Overwegingen rechtbank

  • Informatieplicht en procesreglement (hoofdpunt): artikel 8.4 van het Procesreglement verplicht de minister de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk de derde werkdag vóór de zitting om 16:00 uur in te zenden; dat betekende hier uiterlijk 12 maart 2026. Het verslag van het nader gehoor kon echter niet vóór die datum worden ingediend, omdat het gehoor zelf pas op 13 maart 2026 plaatsvond. De rechtbank acht deze termijnoverschrijding daarom niet voldoende om te oordelen dat eiser in zijn processuele belangen is geschaad, temeer nu eiser niet heeft geconcretiseerd welke stukken van belang voor de geschilpunten niet zijn overgelegd.
  • Terzijdestelling van het Roermond-argument (hoofdpunt): de rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat het gehoor niet is te relateren aan de asielaanvraag die de grondslag van de maatregel vormt; de verbalisant liet eiser, zodra deze zijn asielwens uitte, direct het formulier M35H zien en ondertekenen, besprak waarom geen lichter middel was toegepast en bevroeg eiser over nationaliteit, identiteitsdocumenten en de mogelijkheid en bereidheid tot terugkeer naar Egypte. Eisers verwijzing naar de Roermond-uitspraak baat hem niet: tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld en het betreft een enkele, niet-bindende uitspraak van één zittingsplaats.
  • Zicht op uitzetting: geen vereiste bij artikel 59b Vw 2000; de enkele stelling dat een uitzondering op deze regel mogelijk is, is zonder concrete onderbouwing onvoldoende.
  • Voortvarend handelen: met een asielaanvraag op 4 maart 2026 en een nader gehoor op 13 maart 2026 is voldoende voortvarend gehandeld.
  • Ambtshalve toetsing levert geen grond op voor onrechtmatigheid.

Conclusie en gevolgen

  • Beroep ongegrond; verzoek om schadevergoeding afgewezen; geen proceskostenveroordeling.
  • Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten

  1. ECLI:NL:RBDHA:2026:1898 — Rb. Den Haag zp Roermond 5 februari 2026: de door eiser aangehaalde uitspraak over onzorgvuldig gehoor bij artikel 59b; gepasseerd wegens lopend hoger beroep en het karakter van een enkele zittingsplaats-uitspraak.
  2. ECLI:NL:RVS:2016:1552 — ABRvS 6 juni 2016: zicht op uitzetting is geen voorwaarde voor bewaring krachtens artikel 59b, eerste lid, Vw 2000.
  3. ECLI:NL:RVS:2016:1553 — ABRvS 8 juni 2016: bevestigt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is en dat geen voortvarendheidsverplichting bestaat bij artikel 59b-bewaring.
  4. ECLI:NL:RVS:2024:2194 — ABRvS 30 mei 2024: herhaalt dat bij artikel 59b geen verplichting tot voortvarend handelen bestaat.
  5. ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) — HvJEU 4 september 2025, C-313/25 PPU: ambtshalve toetsingsplicht non-refoulement door de bewaringsrechter.
  6. ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) — HvJEU 8 november 2022, C-704/20 en C-39/21: ambtshalve vaststellingsplicht van niet door de vreemdeling aangevoerde rechtmatigheidsvoorwaarden.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder