7 maanden uit zicht NL politie bewijst niet vertrek uit Nederland

InstantieRechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam)
Datum24-03-2026
ECLIECLI:NL:RBDHA:2026:8359
ZaaknummerNL26.13113
TypeArtikel 59 lid 1 onder a Vw 2000 + artikel 6 Richtlijn 2004/38/EG
DictumBeroep ongegrond

Feiten en procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2026 is aan eiseres de maatregel van bewaring opgelegd. Eiseres was op 24 augustus 2022 een verwijderingsbesluit opgelegd (geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht, vertrekplicht binnen een maand); bezwaar, beroep en hoger beroep daartegen zijn achtereenvolgens ongegrond verklaard (laatstelijk 13 maart 2024). Zware gronden 3a, 3b en 3c en lichte gronden 4c en 4d liggen aan de maatregel ten grondslag.

Standpunt eiseres: eiseres stelt dat zij aan het verwijderingsbesluit gevolg heeft gegeven door haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief te beëindigen: zij vertrok naar Frankrijk, kon daar geen bestaan opbouwen omdat haar paspoort in Nederland was ingenomen, en was tussen 13 juni 2024 en 9 februari 2025 geheel uit beeld bij de Nederlandse politie, wat er volgens haar op duidt dat de verwijdering was geëffectueerd.

Standpunt minister: verweerder stelt dat eiseres haar verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en terecht in bewaring is gesteld.

Overwegingen rechtbank

  • Uit het arrest FS volgt dat een Unieburger tegen wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht verkrijgt wanneer hij zijn verblijf na dat besluit daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd; de duur van de afwezigheid is daarbij relevant maar niet beslissend, en ook de verbreking van banden met het gastland telt mee.
  • Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit haar verblijf in Frankrijk blijkt, en kon tijdens het gehoor niet aangeven wanneer zij terugkeerde.
  • Het ontbreken van politiecontact tussen 13 juni 2024 en 9 februari 2025 geeft geen inzicht in haar verblijfplaats in die periode (kernoverweging).
  • Sinds 9 februari 2025 is zij zeer regelmatig met de politie in aanraking geweest wegens overlast, een omstandigheid die al bij de inbewaringstelling bekend was.
  • Uit het gehoor blijkt bovendien dat zij nu onder vergelijkbare omstandigheden verblijft als ten tijde van het verwijderingsbesluit (leeft op straat, geen werk of geld), zodat van een materiële wijziging van omstandigheden geen sprake is.
  • Het verwijderingsbesluit is niet uitgewerkt en eiseres had geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 6 van Richtlijn 2004/38/EG.
  • Ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen onrechtmatigheid.

Conclusie en gevolgen

  • Beroep ongegrond.
  • Verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  • Geen proceskostenveroordeling.
  • Hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten

  1. Een Unieburger tegen wie een verwijderingsbesluit is genomen, verkrijgt alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland wanneer hij zijn verblijf daar na het besluit daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd; de duur van de afwezigheid is relevant maar niet beslissend (ECLI:EU:C:2021:506, arrest FS, r.o. 90).
  2. De bewaringsrechter is gehouden ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen (ECLI:EU:C:2022:858, C, B en X).

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder