Rotterdam: gehoor 59b is correct, zelfs al gaat het meer over bewaring dan over asiel

InstantieRechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam)
Datum24-03-2026
ECLIECLI:NL:RBDHA:2026:8370
ZaaknummerNL26.13546
TypeArtikel 59b lid 1 onder b Vw 2000
DictumBeroep ongegrond

Feiten en procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2026 is aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, met het oog op het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser is voorafgaand tweemaal gehoord (verhoor tijdens ophouding en gehoor op grond van artikel 5.2 Vb). Zitting: 18 maart 2026.

Geschilpunt 1: is het gehoor onzorgvuldig omdat het over onttrekking ging, niet over asiel?

Eiser stelt dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid, omdat het gehoor zich toespitste op het risico dat hij niet uit eigen beweging naar zijn land van herkomst zou terugkeren, terwijl de maatregel juist strekte tot zijn asielprocedure. Hij beroept zich op een uitspraak van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1898).

De rechtbank verwerpt dit: artikel 5.1c, tweede lid, Vb vereist voor bewaring op deze grondslag dat zich ten minste twee van de zware of lichte gronden van artikel 5.1b Vb voordoen. Uit vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2018:4011) volgt dat een deugdelijke motivering van het onttrekkingsrisico via die gronden tegelijk de noodzaak tot gegevensverkrijging voor de asielbeoordeling aantoont. Het gehoor was dus wel degelijk relevant voor het doel van de maatregel.

Geschilpunt 2: had de minister het zicht op uitzetting naar India moeten beoordelen?

Eiser stelt dat de minister had moeten motiveren of zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Hij leest in de formulering “in de regel” uit een uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1552) een aanwijzing dat op die hoofdregel uitzonderingen mogelijk zijn, en dat zijn zaak zo’n uitzondering is.

De rechtbank wijst dit af met een structureel argument: artikel 59b, eerste lid, onder b, Vw zet artikel 8, derde lid, onder b, van de Opvangrichtlijn 2013/33/EU om. Anders dan artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG (dat aan artikel 59 Vw ten grondslag ligt) stelt de Opvangrichtlijn geen eis van een redelijk vooruitzicht op verwijdering. Zicht op uitzetting is bij deze grondslag dus geen wettelijke voorwaarde, en de aangehaalde bewoording “in de regel” verandert dat niet.

Geschilpunt 3: heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?

Eiser stelt dat hij pas op 16 maart 2026 is gehoord over zijn asielaanvraag en dat nog geen beslissing is genomen, zonder dat de minister heeft aangegeven dat de aanvraag complex is.

De rechtbank oordeelt dat de bewaring op grond van artikel 59b, tweede lid, Vw maximaal zes weken mag duren omdat een voornemen zal worden uitgebracht. Met een asielaanvraag op 7 maart 2026, een gehoor op 16 maart 2026, correcties op 17 maart 2026 en een naderend voornemen, en met de zeswekentermijn nog niet in zicht, heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld.

Ambtshalve toetsing: onder verwijzing naar de ambtshalve toetsingsplicht van de bewaringsrechter (ECLI:EU:C:2022:858, C, B en X) ziet de rechtbank geen grond voor onrechtmatigheid.

Conclusie en gevolgen

  • Beroep ongegrond.
  • Verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  • Geen proceskostenveroordeling.
  • Hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten

  1. Een deugdelijke motivering van het onttrekkingsrisico via de zware en lichte gronden van artikel 5.1b Vb geeft tevens de noodzaak tot gegevensverkrijging voor de asielbeoordeling (ECLI:NL:RVS:2018:4011).
  2. Bij een op artikel 59b Vw gegronde maatregel is de minister “in de regel” niet gehouden te motiveren dat zicht op uitzetting niet ontbreekt (ECLI:NL:RVS:2016:1552).
  3. Artikel 8, derde lid, onder b, van de Opvangrichtlijn 2013/33/EU vereist geen redelijk vooruitzicht op verwijdering, anders dan artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG.
  4. De bewaringsrechter is gehouden ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de bewaring te toetsen (ECLI:EU:C:2022:858, C, B en X).
  5. Eiser beroept zich op een uitspraak van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 5 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:1898) om te betogen dat het gehoor onvoldoende verband hield met de asielprocedure; de rechtbank volgt dit niet.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder