| Instantie | Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak |
|---|---|
| Datum | 25-03-2026 |
| ECLI | ECLI:NL:RVS:2026:1647 |
| Zaaknummer | BRS.25.000433 |
| Type | Vreemdelingenrecht, artikel 59 Vw 2000, artikel 4 en artikel 19 lid 2 EU Handvest |
| Dictum | Hoger beroep gegrond, beroep alsnog ongegrond |
Feiten en procesverloop
Bij besluit van 29 maart 2025 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld met het doel hem uit te zetten naar Gambia. In het gehoor daaraan voorafgaand antwoordde hij bevestigend op de vraag of hij wil meewerken aan terugkeer naar Gambia, en ontkennend op de vraag of hij bij terugkeer problemen met de autoriteiten vreest. In het proces-verbaal staat dat hij volgens de tolk en de hulpofficier van justitie onsamenhangend verklaarde. Bij uitspraak van 14 april 2025 (NL25.15025) verklaarde de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, het beroep gegrond, beval de opheffing en kende schadevergoeding toe. Op verzoek van de Afdeling hebben partijen nadere inlichtingen gegeven.
Oordeel rechtbank: de minister heeft het reële risico op schending van non-refoulement nooit beoordeeld en kon daarom niet tot bewaring met het oog op uitzetting overgaan. Ook is niet deugdelijk gemotiveerd waarom niet met een lichter middel is volstaan: het verloop van het gehoor en de waarnemingen van de tolk en de hulpofficier hadden aanleiding moeten zijn een arts op te roepen en betrokkene te laten schouwen.
Standpunt minister (appellant): De non-refoulementbeoordeling ligt besloten in de motivering van de maatregel, waarin ook naar de verklaringen van betrokkene in het gehoor wordt verwezen, en de medische situatie van betrokkene is kenbaar in de belangenafweging betrokken, zodat een lichter middel niet aangewezen was.
Overwegingen Afdeling
- Kernoverweging: in de maatregel heeft de minister geconcludeerd dat betrokkene in bewaring kan worden gesteld, gelet op de gronden, de motivering en de aangevoerde omstandigheden. Hoewel niet uitdrukkelijk is gemotiveerd dat geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan voor een reëel risico op behandelingen die artikel 4 en artikel 19, tweede lid, EU Handvest verbieden, kan uit de bewoordingen van de motivering, die ook naar de verklaringen in het gehoor verwijst, worden aangenomen dat die beoordeling erin besloten ligt en voldoende kenbaar is (ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 15 en 15.1). De eerste grief slaagt.
- Arts en schouwing: de enkele opmerking dat betrokkene volgens de tolk en de hulpofficier onsamenhangend verklaarde, gaf onvoldoende aanleiding een arts op te roepen. Uit het proces-verbaal volgt dat hij aanspreekbaar was en antwoorden gaf die op de vragen aansloten; hij verklaarde dat zijn gezondheid normaal is en medicatie gebruikt om energie te hebben, en legde geen medische stukken over. Dat de rechtbank op zitting geen simpel gesprek met hem kon voeren, is dan onvoldoende.
- Lichter middel en medische situatie: uit de maatregel blijkt dat de minister die situatie kenbaar in de belangenafweging heeft betrokken, met verwijzing naar de verklaringen in het gehoor en het vermoeden dat betrokkene psychisch mogelijk niet in orde is. De zorg in detentiecentrum Rotterdam is gelijkwaardig aan die in de vrije maatschappij, en betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat die zorg in zijn geval ontoereikend is, dat hij de bewaring niet verantwoord kan ondergaan of dat zijn toestand zal verslechteren (vergelijk ECLI:NL:RVS:2019:1162, onder 3.2). De minister heeft toegelicht dat betrokkene in detentie steeds is gezien door artsen, psychologen en verpleegkundigen, dat hun advies telkens is opgevolgd en dat zijn medicatie steeds is aangepast. De tweede grief slaagt.
- Er zijn geen beroepsgronden die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
Conclusie en gevolgen
- Het hoger beroep van de minister is gegrond; de uitspraak van de rechtbank van 14 april 2025 is vernietigd.
- Het beroep is alsnog ongegrond verklaard.
- Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
- De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 15 en 15.1 (ABRvS, 12 februari 2026): de non-refoulementbeoordeling kan besloten liggen in de motivering van de maatregel.
- ECLI:NL:RVS:2019:1162, onder 3.2 (ABRvS, 11 april 2019): maatstaf voor toereikende medische zorg in detentie.
