HB: geen PKV bij belangenafweging gebrek motivering (refoulement)

InstantieRaad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
Datum26-03-2026
ECLIECLI:NL:RVS:2026:1650
ZaaknummerBRS.26.000853
TypeVreemdelingenrecht, artikel 6:22 en 8:54 lid 1 Awb, artikel 94 lid 6 Vw 2000
DictumHoger beroep ongegrond

Feiten en procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 19 februari 2026 (NL26.5313) heeft de rechtbank Den Haag het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank stelde vast dat in de maatregel niet is gemotiveerd dat de minister is nagegaan of non-refoulement zich niet tegen de verwijdering verzet, en merkte dat aan als gebrek. Onder verwijzing naar artikel 94, zesde lid, Vw 2000 overwoog zij dat zo’n gebrek de inbewaringstelling pas onrechtmatig maakt als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek; hier was het belang van appellant niet wezenlijk geschaad en woog het belang van de minister zwaarder. Dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden.

Standpunt appellant: de rechtbank heeft het gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd en had de minister daarom in de proceskosten van het beroep moeten veroordelen; zij verwijst naar twee uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2025.

Standpunt minister: De minister heeft een nader stuk ingediend; de uitspraak geeft zijn standpunt niet afzonderlijk weer.

Overwegingen Afdeling

  • Uitgangspunt is dat een rechtbank die een gebrek met artikel 6:22 Awb passeert, het bestuursorgaan in de proceskosten van het beroep moet veroordelen (ECLI:NL:RVS:2025:1609, onder 1.1). In de door appellant genoemde uitspraken van 30 juni 2025 was artikel 6:22 Awb uitdrukkelijk toegepast; hier heeft de rechtbank dat niet gedaan, zodat er in zoverre geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling was.
  • Kernoverweging: de rechtbank heeft een motiveringsgebrek vastgesteld en vervolgens de standaard belangenafweging gemaakt die in bewaringszaken geldt bij een gebrek dat de rechtmatigheid van de maatregel niet rechtstreeks aantast. Die afweging is een andere dan de beoordeling bij artikel 6:22 Awb: daarbij worden de ernst van het gebrek en de geschonden belangen afgewogen tegen de met de bewaring gediende belangen (ECLI:NL:RVS:2023:4066, onder 4).
  • Leidt die afweging ertoe dat het gebrek de maatregel niet onrechtmatig maakt en wordt het beroep ongegrond verklaard, dan bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling (ECLI:NL:RVS:2023:4180, onder 10). Die volgt wel bij een gebrek in het voortraject, dat de staandehouding, ophouding of verlenging daarvan onrechtmatig maakt; om zo’n gebrek gaat het hier niet.
  • De rechtbank is dus terecht tot het oordeel gekomen dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat. De grief slaagt niet.
  • De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.

Conclusie en gevolgen

  • Het hoger beroep is ongegrond.
  • De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen, dat wil zeggen voor zover de rechtbank geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.
  • De minister hoeft ook in hoger beroep geen proceskosten te vergoeden.

Noten

  1. ECLI:NL:RVS:2023:4066 (ABRvS, 2 november 2023): kader van de belangenafweging bij een gebrek dat de maatregel niet rechtstreeks raakt (onder 4).
  2. ECLI:NL:RVS:2025:2911 (ABRvS, 30 juni 2025): proceskosten toegekend omdat de rechtbank artikel 6:22 Awb had toegepast.
  3. ECLI:NL:RVS:2025:2912 (ABRvS, 30 juni 2025): idem.
  4. ECLI:NL:RVS:2025:1609, onder 1.1 (ABRvS, 10 april 2025): bij toepassing van artikel 6:22 Awb volgt een proceskostenveroordeling.
  5. ECLI:NL:RVS:2023:4180, onder 10 (ABRvS, 15 november 2023): geen proceskosten na de bewaringsbelangenafweging, wel bij een gebrek in het voortraject.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder