| Instantie | Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak |
|---|---|
| Datum | 27-03-2026 |
| ECLI | ECLI:NL:RVS:2026:1675 |
| Zaaknummer | BRS.25.001658 |
| Type | Vreemdelingenrecht, artikel 59 lid 1 onder a en artikel 59b lid 1 onder a, b en c Vw 2000, artikel 5.1b lid 1 Vb 2000 |
| Dictum | Hoger beroep gegrond, beroep alsnog ongegrond |
Feiten en procesverloop
De minister heeft betrokkene wegens zijn asielaanvraag op 15 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Vw 2000 (de eerste maatregel). Na de uitspraak van 26 september 2025, waarbij het beroep tegen de kennelijk ongegrondverklaring van die aanvraag ongegrond werd verklaard, heeft hij de eerste maatregel op 1 oktober 2025 opgeheven en betrokkene diezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 (de tweede maatregel). Bij uitspraak van 15 oktober 2025 (NL25.48204) heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, het beroep tegen de tweede maatregel gegrond verklaard, de opheffing bevolen en schadevergoeding toegekend.
Standpunt minister (appellant): de enige grief is gericht tegen het oordeel dat de eerste maatregel onrechtmatig is omdat deze te laat is omgezet, en dat de tweede maatregel daardoor onrechtmatig is opgelegd.
Standpunt betrokkene: Betrokkene heeft alle zware en lichte gronden betwist, aangevoerd dat geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko bestaat, en dat de minister een lichter middel had moeten opleggen door hem in een azc te plaatsen in afwachting van zijn asielprocedure.
Overwegingen Afdeling
- Kernoverweging: de grief slaagt alleen al omdat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden. De vraag of de eerste maatregel tijdig is opgeheven en omgezet, houdt een beoordeling in of die maatregel tot de opheffing op de juiste grondslag heeft voortgeduurd; dat hoort in een beroep tegen de eerste maatregel. Nu de onrechtmatigheid daarvan niet in zo’n beroep is vastgesteld, mocht de rechtbank in de procedure over de tweede maatregel niet van die onrechtmatigheid uitgaan (vergelijk ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.1 tot en met 4.5).
- Gronden: de zware gronden 3a en 3b zijn terecht tegengeworpen. Betrokkene betwist niet dat hij zonder identiteitsdocument is binnengekomen, niet is verschenen op een IND-gehoor en na de afwijzing niet naar zijn land van herkomst is vertrokken maar naar Zwitserland en later Duitsland. Deze gronden zijn feitelijk juist en samen voldoende om de maatregel te dragen.
- Zicht op uitzetting naar Marokko (zie ECLI:NL:RVS:2022:3269): tussen 1 januari en 1 oktober 2025 zijn 206 laissez-passeraanvragen ingediend, 119 nationaliteitsbevestigingen afgegeven, 129 laissez-passers verstrekt en 79 uitzettingen uitgevoerd, en presentaties in persoon zijn niet meer vereist. Voor betrokkene is op 5 augustus 2025 een aanvraag verzonden met rappels op 15 augustus, 4 en 25 september 2025. De minister mocht er dus van uitgaan dat ook voor betrokkene een laissez-passer wordt verstrekt; zicht op uitzetting ontbrak niet.
- Lichter middel: terecht niet toegepast, omdat betrokkene meermalen heeft verklaard niet naar Marokko terug te willen en eerder met onbekende bestemming is vertrokken.
Conclusie en gevolgen
- Het hoger beroep van de minister is gegrond; de uitspraak van de rechtbank van 15 oktober 2025 is vernietigd.
- Het beroep is alsnog ongegrond verklaard.
- Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
- De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2025:5945, onder 4.1 tot en met 4.5 (ABRvS, 11 december 2025): de rechtmatigheid van een eerdere maatregel hoort in het beroep tegen die maatregel.
- ECLI:NL:RVS:2022:3269 (ABRvS, 14 november 2022): maatstaf voor zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
