| Instantie | Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) |
|---|---|
| Datum | 31-03-2026 |
| ECLI | ECLI:NL:RBDHA:2026:7224 |
| Zaaknummer | NL26.13849 |
| Type | Vreemdelingenrecht, artikel 59 lid 1 onder a Vw 2000 |
| Dictum | Beroep ongegrond |
Feiten en procesverloop
Bij besluit van 11 maart 2026 heeft verweerder aan eiser, een Poolse Unieburger, de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. De bewaring is inmiddels opgeheven, zodat de beoordeling zich beperkt tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding. Aan eiser is op 7 oktober 2022 een verwijderingsbesluit opgelegd; sindsdien is hij drie keer vanuit Nederland naar Polen uitgezet (6 januari 2023, 12 februari 2024 en 17 juni 2025). Eiser is op 9 maart 2026 slapend op de openbare weg aangetroffen en aangehouden vanwege openstaande boetes. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 via beeldverbinding op zitting behandeld.
Standpunt eiser: Eiser voert aan dat er geen grondslag bestaat om hem in bewaring te stellen nu hij als Unieburger rechtmatig verblijf heeft. In het verleden is hem weliswaar een verwijderingsbesluit opgelegd, maar hij heeft zijn verblijf in Nederland nadien daadwerkelijk en effectief beëindigd. Hij is gestart met een re-integratietraject bij stichting Barka, heeft een correspondentieadres in Polen, heeft zijn schulden aangepakt en een ziektekostenverzekering afgesloten. Het verwijderingsbesluit is daarmee uitgewerkt. Eiser is enkel naar Nederland teruggekeerd om een aantal zaken af te ronden.
Standpunt minister: Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd.
Overwegingen rechtbank
- Uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2021 (F.S. tegen Nederland) volgt dat alleen fysiek vertrek niet volstaat. Een burger van de Unie moet zijn verblijf daadwerkelijk en effectief hebben beëindigd zodat bij een terugkeer naar die lidstaat zijn verblijf in werkelijkheid geen voorzetting is van zijn eerdere verblijf in deze lidstaat.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij het centrum van zijn leven naar Polen heeft verplaatst, mede omdat de overeenkomst met stichting Barka, gedateerd op 23 juli 2025, uitgaat van een proeftijd van één maand en een vervolg van elf maanden, terwijl eiser naar eigen zeggen tot december 2025 in Polen heeft verbleven en dit traject dus niet kan hebben afgerond; ook onderbouwt hij het gestelde salaris niet.
- De ziektekostenverzekering gold slechts voor de duur van 90 dagen (van 25 juni 2025 tot 25 september 2025), en dit leidt evenmin tot het oordeel dat eiser in Polen een leven heeft opgebouwd.
- Uit de gedragingen van eiser na zijn vertrek uit Polen volgt evenmin dat hij elders buiten Nederland een nieuw leven heeft opgebouwd: de door eiser opgegeven contactpersoon in België ontkent dat eiser bij hem heeft ingewoond en stelt dat eiser naar Nederland is gegaan in de hoop daar werk te vinden.
- De minister heeft de zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is; ook de zware grond 3c is feitelijk juist en wordt niet betwist. Voor deze zware gronden is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen.
- Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ambtshalve toetsend geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond.
- Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
- Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Noten
- ECLI:EU:C:2021:506 (arrest FS, C-719/19, Hof van Justitie, Grote kamer, 22 juni 2021): fysiek vertrek van een Unieburger volstaat niet; vereist is dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd.
- Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn): regelt het recht van vrij verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden.
- ECLI:NL:RVS:2022:1444 (ABRvS, 25 mei 2022, r.o. 6): het enkele fysieke vertrek volstaat niet; vereist is daadwerkelijke en effectieve beëindiging van het verblijf.
- ECLI:NL:RVS:2020:829 (ABRvS, 25 maart 2020): voor de meeste zware gronden is voldoende dat de feitelijke juistheid daarvan wordt toegelicht.
- ECLI:EU:C:2025:647 (arrest Adrar, HvJEU, 4 september 2025): ambtshalve en gemotiveerde toetsing van het non-refoulementbeginsel en het belang van het familie- en gezinsleven.
- ECLI:NL:RVS:2026:329 (ABRvS, 12 februari 2026): verplichting tot ambtshalve en gemotiveerde non-refoulementtoetsing in het bewaringsbesluit.
- ECLI:EU:C:2022:858 (arrest C, B en X, HvJEU, gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21, 8 november 2022): verplichting tot ambtshalve toetsing van de rechtmatigheidsvoorwaarden van de bewaring.
