Vovo-rechter bevoegd tot verbieden ‘zelfstandig’ vertrek

InstantieRechtbank Den Haag (zittingsplaats Groningen)
Datum31-03-2026
ECLIECLI:NL:RBDHA:2026:7316
ZaaknummerAWB 26/5122
TypeVreemdelingenrecht, artikel 8:83 lid 4 en artikel 8:54 Awb (Dublinverordening)
DictumVerzoek om voorlopige voorziening toegewezen

Feiten en procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2026 heeft de minister de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel van verzoekster niet in behandeling genomen omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is onder de Dublinverordening. Met de uitspraak van 2 maart 2026 heeft de rechtbank het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb ongegrond verklaard. Op 15 maart 2026 heeft verzoekster hoger beroep ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat op 17 maart 2026 als verzet is doorgezonden naar de rechtbank. Verzoekster heeft de rechtbank tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij de behandeling van het verzet in Nederland mag afwachten. Op 30 maart 2026 heeft verzoekster aan de rechtbank meegedeeld dat zij op 1 april 2026 op grond van de Dublinverordening zal worden overgedragen aan de Franse autoriteiten.

Standpunt verzoekster: Verzoekster voert aan dat zij het niet eens is met de uitspraak van 2 maart 2026, omdat de IND haar medische dossier niet heeft onderzocht en beoordeeld. Zij is ziek en kan niet worden overgedragen. Zij heeft haar medische dossier op 30 maart 2026 aan de voorzieningenrechter doen toekomen, alsook een Frans document van 29 oktober 2024 waaruit zou blijken dat zij Frankrijk dient te verlaten.

Standpunt minister: De minister stelt dat geen sprake is van spoedeisend belang, omdat verzoekster niet gedwongen wordt overgedragen naar Frankrijk. De overdracht is gefaciliteerd door de Dienst Terugkeer en Vertrek en betreft daarom een zelfstandig vertrek: als verzoekster ervoor kiest om op 1 april 2026 niet in de taxi te stappen, is er geen sterke arm die haar op dat moment alsnog zal dwingen te vertrekken.

Overwegingen rechtbank

  • Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
  • De voorzieningenrechter ziet aanleiding om wel spoedeisend belang aan te nemen, gelet op de zeer korte termijn tot de geplande overdracht van 1 april 2026.
  • Dat in dit geval volgens de minister sprake is van een gefaciliteerde overdracht en geen gedwongen vertrek, kan de voorzieningenrechter niet volgen: uit het dossier volgt niet dat geen sprake is van een gedwongen vertrek.
  • Als verzoekster niet zal meewerken aan de geplande overdracht en deze daardoor feitelijk niet zal plaatsvinden, kan dit gevolgen voor haar hebben, bijvoorbeeld staandehouding en gehoor over het opleggen van een maatregel van bewaring bij een volgend contact; van een vrijwillige keuze zonder mogelijke gevolgen is dan ook geen sprake.
  • Het belang van verzoekster om haar verzet op een zitting te kunnen toelichten weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van de minister om verzoekster op 1 april 2026 via een gefaciliteerd vertrek over te dragen aan de Franse autoriteiten.

Conclusie en gevolgen

  • De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
  • De voorlopige voorziening houdt in dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat is beslist op het verzet.
  • Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  • Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Noten

  1. Artikel 8:83, vierde lid, Awb: grondslag voor uitspraak van de voorzieningenrechter zonder zitting bij onverwijlde spoed.
  2. Artikel 8:54 Awb: grondslag voor de eerdere vereenvoudigde afdoening van het beroep zonder zitting wegens kennelijke ongegrondheid.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder