| Instantie | Rechtbank Den Haag (zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch) |
|---|---|
| Datum | 31-03-2026 |
| ECLI | ECLI:NL:RBDHA:2026:7646 |
| Zaaknummer | NL26.14874, NL26.14880 en NL26.14888 |
| Type | Vreemdelingenrecht, artikel 59a lid 1 Vw 2000 |
| Dictum | Beroepen gegrond |
Feiten en procesverloop
Bij besluiten van 17 maart 2026 heeft de minister aan eiseres en haar twee minderjarige kinderen (een zoon, geboren in 2017, en een dochter, geboren in 2020), allen van Tunesische nationaliteit, ieder afzonderlijk de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw 2000. De minister heeft de maatregelen op 19 maart 2026 opgeheven. Eisers hebben tegen de besluiten ieder afzonderlijk beroep ingesteld, mede aan te merken als verzoeken om schadevergoeding. De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat de zoon en de dochter voorafgaand aan de maatregel niet zijn gehoord en heeft de minister om schriftelijke opheldering gevraagd, waarop de minister op 25 maart 2026 heeft gereageerd. De rechtbank heeft de beroepen op 30 maart 2026 op zitting behandeld.
Standpunt eisers: Eisers voeren aan dat de zoon en de dochter, als vreemdelingen in de zin van artikel 1 Vw 2000, voorafgaand aan hun inbewaringstelling op grond van artikel 5.2 Vb 2000 gehoord moesten worden en dat hen op grond van artikel 12 IVRK de gelegenheid geboden moest worden hun mening over de maatregel kenbaar te maken. Dit is niet gebeurd, ook niet nadat zij bij het gehoor van hun moeder aanwezig waren.
Standpunt minister: De minister stelt dat het horen van eiseres als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen volstond en dat artikel 12 IVRK, mede gelet op oudere jurisprudentie van de Afdeling uit 2013, alleen verplicht tot het apart horen van een kind indien sprake is van tegengestelde belangen tussen het kind en zijn ouders. Volgens de minister lag het, gelet op de aanwezigheid van de kinderen bij het gehoor van hun moeder en hun jonge leeftijd, feitelijk niet in de rede hen apart naar hun mening te vragen.
Overwegingen rechtbank
- Op grond van artikel 1 Vw 2000 zijn ook minderjarigen vreemdeling; artikel 5.2, eerste lid, Vb 2000 bepaalt dat de vreemdeling wordt gehoord voordat hij op grond van artikel 59, 59a of 59b van de wet in bewaring wordt gesteld, zodat de zoon en de dochter voorafgaand aan hun bewaring hadden moeten worden gehoord.
- Artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening, waarnaar de minister verwijst, heeft geen betrekking op vreemdelingenbewaring maar op het bepalen van de voor de asielaanvraag verantwoordelijke lidstaat; bovendien vereist de uitspraak van de Afdeling uit 2022 dat aan kinderen een eigen, expliciete maatregel wordt opgelegd, wat een onlosmakelijke verbondenheid met de situatie van de ouder juist weerspreekt.
- De verwijzing van de minister naar de uitspraak van de Afdeling uit 2013 leidt niet tot een ander oordeel: die uitspraak zag niet op het horen zelf maar op het in de gelegenheid stellen van de mening op grond van artikel 12 IVRK, en de Afdeling heeft de daarin gegeven, beperktere uitleg van artikel 12 IVRK in haar uitspraken van 2025 verlaten; niet valt in te zien waarom die ruimere uitleg niet ook zou gelden in bewaringsprocedures.
- Dat de kinderen aanwezig waren bij het gehoor van hun moeder en zelf niets bijzonders lieten blijken, ontslaat de minister niet van de verplichting hen apart naar hun mening te vragen; dit was juist een kleine moeite geweest, en voor de zoon kan niet worden gezegd dat hij te jong was om zijn mening te geven.
- Als de minister van oordeel was dat de kinderen te jong waren of het horen schadelijk zou kunnen zijn, had dit gemotiveerd en onderbouwd moeten worden; dat is niet gebeurd, en artikel 12, tweede lid, IVRK bood bovendien de mogelijkheid de kinderen via de moeder te horen, wat evenmin is gebeurd.
- De schending van het hoorrecht heeft de kinderen daadwerkelijk de mogelijkheid ontnomen zich te verweren, omdat niet duidelijk is wat zij hadden kunnen verklaren en welk gewicht daaraan toegekend had moeten worden; de bewaring van de zoon en de dochter was daardoor van aanvang af onrechtmatig, en deze onrechtmatigheid werkt door in de bewaring van hun moeder.
Conclusie en gevolgen
- De beroepen zijn gegrond.
- De Staat der Nederlanden wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding van EUR 1.080 (3 personen x 3 dagen x EUR 120).
- De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eisers tot een bedrag van EUR 934.
- Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2025:3900 (ABRvS, 20 augustus 2025): geen absolute verplichting tot rechtstreeks horen van begeleide minderjarigen in de Dublinprocedure, maar wel verplichting passende maatregelen te nemen om hun mening daadwerkelijk en effectief te kunnen uiten.
- ECLI:NL:RVS:2025:3899 (ABRvS, 20 augustus 2025): de minister moet begeleide minderjarigen tussen twaalf en vijftien jaar zonder zelfstandig asielmotief informeren over de mogelijkheid rechtstreeks te worden gehoord.
- ECLI:NL:RVS:2013:2525 (ABRvS, 11 december 2013): artikel 12 IVRK vereist een afzonderlijke hoorzitting van minderjarige kinderen alleen bij tegengestelde belangen tussen kind en ouders.
- ECLI:NL:RVS:2022:2101 (ABRvS, 22 juli 2022): minderjarige kinderen die in bewaring worden gesteld moeten een eigen, expliciete schriftelijke maatregel ontvangen; onrechtmatigheid van de bewaring van kinderen werkt door in de bewaring van de ouders.
- ECLI:NL:RVS:2018:1491 (ABRvS, 2 mei 2018): artikel 5.2, eerste lid, Vb 2000 verplicht tot voorafgaand horen van de vreemdeling voordat hij in bewaring wordt gesteld.
- Arrest Sopropé, ECLI:EU:C:2008:746 (C-349/07): het recht om te worden gehoord maakt deel uit van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging.
- Arrest M.G. en N.R., ECLI:EU:C:2013:533 (C-383/13 PPU): niet elke schending van het hoorrecht leidt tot opheffing van de maatregel; dit is slechts het geval indien de schending de betrokkene daadwerkelijk de mogelijkheid heeft ontnomen zich zodanig te verweren dat de besluitvorming een andere afloop had kunnen hebben.
