| Instantie | Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) |
|---|---|
| Datum | 31-03-2026 |
| ECLI | ECLI:NL:RBDHA:2026:8223 |
| Zaaknummer | NL26.14404 |
| Type | Artikel 59 lid 1 onder a Vw 2000, vervolgberoep |
| Dictum | Beroep ongegrond |
Feiten en procesverloop
Bewaring opgelegd op 25 november 2025 met het oog op uitzetting naar Gambia. Bij eerdere uitspraak van 5 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:456) was de bewaring tot het sluiten van dat onderzoek al rechtmatig geoordeeld; deze procedure beoordeelt uitsluitend de periode vanaf 30 december 2025. Eisers asielaanvraag was afgewezen omdat zijn gestelde identiteit en nationaliteit niet geloofwaardig werden geacht; de Gambiaanse autoriteiten hebben deze tot op heden niet bevestigd.
Standpunt eiser: Eiser voert vier beroepsgronden aan: (1) geen kenbare, op de persoon toegespitste belangenafweging in de voortgangsrapportage; (2) onvoldoende voortvarend handelen; (3) geen concrete uitzettingsdatum en geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn; (4) geen refoulementbeoordeling gemaakt.
Standpunt minister: De minister weerlegt alle beroepsgronden: hij heeft voldoende voortvarend gehandeld, er bestaat zicht op uitzetting, en een refoulementbeoordeling is op dit moment niet mogelijk, noch vereist, zolang de identiteit van eiser niet vaststaat.
Overwegingen rechtbank
- Belangenafweging: binnen de eerste zes maanden van de bewaring hoeft geen kenbare, op de persoon toegespitste belangenafweging in de voortgangsrapportage te worden opgenomen.
- Voortvarendheid: laissez-passer-aanvraag van 11 november 2025, presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten op 26 februari 2026 en vertrekgesprekken op 5 januari, 5 februari, 12 februari en 10 maart 2026 (eiser verscheen niet op de laatste drie, wat voor zijn rekening komt) zijn voldoende voor voortvarend handelen.
- Zicht op uitzetting: in het algemeen bestaat zicht op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn; eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd dat dit in zijn geval ontbreekt, en heeft zelf geen actieve invulling gegeven aan zijn medewerkingsplicht.
- Refoulementbeoordeling (kernoverweging): zolang de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling niet zijn vastgesteld, kan geen effectieve refoulementbeoordeling worden gemaakt; wel kan een beperktere beoordeling aan de hand van de algemene (veiligheids)situatie van het land van terugkeer worden verwacht. De minister moet gedurende de bewaring continu beoordelen of vertrek naar het land van herkomst nog aanvaardbaar is, en mag dit niet uitstellen tot de periodieke rechterlijke toetsing. Nu van een dusdanig verslechterde algemene veiligheidssituatie geen sprake is en de identiteit nog niet vaststaat, was de minister niet gehouden een actuele refoulementbeoordeling te maken; effectieve rechtsbescherming blijft gewaarborgd via de periodieke toetsing en het aparte rechtsmiddel tegen de feitelijke uitzetting.
- Ambtshalve toetsend: geen onrechtmatigheid.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond.
- Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
- Geen proceskostenveroordeling.
- Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Noten
- Eerdere uitspraak van dezelfde rechtbank en zittingsplaats van 5 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:456): bewaring tot het sluiten van dat onderzoek rechtmatig.
- In het algemeen bestaat zicht op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn (ECLI:NL:RVS:2023:3003).
- De bewaringsrechter moet ambtshalve toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet (ECLI:NL:RVS:2026:329, r.o. 7.6.1 en r.o. 8).
- Grondslag van de ambtshalve toetsingsplicht: het arrest Adrar (ECLI:EU:C:2025:647).
- Een effectieve beoordeling van het risico op refoulement is niet mogelijk zolang niet meer bekend is over de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling (ECLI:NL:RVS:2024:1970, r.o. 5.3).
- De bewaringsrechter is gehouden ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de bewaring te toetsen (ECLI:EU:C:2022:858, C, B en X).
