| Instantie | Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Amsterdam) |
|---|---|
| Datum | 31-03-2026 |
| ECLI | ECLI:NL:RBDHA:2026:9273 |
| Zaaknummer | NL26.12756 |
| Type | Vreemdelingenrecht, artikel 59 lid 1 onder a en artikel 106 Vw 2000 |
| Dictum | Beroep gegrond |
Feiten en procesverloop
Bij besluit van 5 maart 2026 heeft de minister aan eiser, van Poolse nationaliteit en geboren in 1983, de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Eiser stelde beroep in, tevens aangemerkt als verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld en onmiddellijk na de behandeling mondeling uitspraak gedaan; deze uitspraak is het proces-verbaal daarvan. Eiser was staandegehouden nadat verbalisanten reageerden op een melding van overlast, omdat hij lag te slapen voor de portiek van een woning.
Standpunt eiser: Het proces-verbaal geeft de beroepsgronden niet afzonderlijk weer. Uit de overwegingen blijkt dat eiser de rechtmatigheid van de staandehouding heeft bestreden en zich erop heeft beroepen dat de minister in de maatregel niet heeft gemotiveerd waarom het beginsel van non-refoulement zich niet tegen zijn uitzetting verzet.
Standpunt minister: Het proces-verbaal vermeldt het standpunt van de minister niet afzonderlijk.
Overwegingen rechtbank
- Uit het dossier blijkt voldoende duidelijk dat de aanleiding om eiser staande te houden niet vreemdelingenrechtelijk van aard was: uit het proces-verbaal van staandehouding volgt dat de verbalisanten reageerden op een melding van overlast, omdat eiser lag te slapen voor de portiek van een woning. Dat eiser daarna heeft verklaard dat hij bewusteloos was na een epileptische aanval maakt dat niet anders, omdat de verbalisanten dat op dat moment niet konden weten.
- Kernoverweging: de minister had ook in dit geval in de bestreden maatregel moeten motiveren waarom het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van eiser verzet. Artikel 4 van het EU Handvest is absoluut en geldt derhalve voor iedere Unieburger. De minister moet daarom ook toetsen of de uitzetting naar Polen niet strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.
- Hoewel er in het geval van eiser geen aanleiding is om aan te nemen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat hij in Polen een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 van het EU Handvest verboden behandelingen, had de minister er in het besluit wel blijk van moeten geven dat hij die beoordeling bij het opleggen van de maatregel heeft gemaakt. Dat heeft de minister niet gedaan en dat kan niet achteraf worden gerepareerd of aangevuld. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek.
- Omdat in een dergelijk geval geen ruimte is voor een belangenafweging (ECLI:NL:RVS:2026:329) is het beroep gegrond en is de maatregel van bewaring vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond; de rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 maart 2026.
- Schadevergoeding van EUR 1.600 voor 13 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming: 1 x EUR 160 (verblijf politiecel) en 12 x EUR 120 (verblijf detentiecentrum), op grond van artikel 106 Vw 2000, ten laste van de Staat.
- Proceskosten EUR 1.868 (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting, EUR 934 per punt, wegingsfactor 1).
- Hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2026:329 (ABRvS, 12 februari 2026): bij een motiveringsgebrek over non-refoulement is geen ruimte voor een belangenafweging.
Opmerking: Deze uitspraak staat haaks op ECLI:NL:RBDHA:2026:5722, waar de rechtbank oordeelde dat de non-refoulementtoets bij een Unieburger juist niet vereist is.
