Rb. zp Den Haag | ECLI:NL:RBDHA:2025:17238 | 18-09-2025 | NL25.41732 | Bewaring (art. 59 lid 1 sub a Vw 2000) | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser stelt Pools staatsburger te zijn, geboren in 1991. Bij besluit van 29 augustus 2025 heeft de Minister van Asiel en Migratie aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, ter voorbereiding van de verwijdering. De bewaring is op 10 september 2025 opgeheven.
Eiser heeft beroep ingesteld, tevens te beschouwen als verzoek om schadevergoeding. De zaak is schriftelijk behandeld. Eiser heeft op 8 en 9 september de beroepsgronden ingediend; de Minister heeft op 11 september 2025 gereageerd. Het onderzoek is op 15 september 2025 gesloten.
Eiser voert aan dat hij in februari 2025 zijn verblijf in Nederland feitelijk heeft beëindigd door het centrum van zijn leven naar Duitsland te verplaatsen, zodat hij op grond van artikel 6 Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) voor ten minste drie maanden rechtmatig verblijf geniet en niet in bewaring kan worden gesteld. Voorts stelt eiser dat de maatregel per 5 september 2025 onrechtmatig is geworden doordat de Minister de grondslag na indiening van een herhaalde asielaanvraag niet heeft omgezet, en dat eiser ten onrechte geen zienswijze heeft kunnen indienen over het voornemen tot toepassing van artikel 3.1 Vb 2000.
Overwegingen Rechtbank
Bewaringsgronden
De minister heeft de maatregel gegrond op artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, Vb 2000. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3b en 3i, alsmede de lichte gronden 4a t/m 4d, niet heeft bestreden. In onderlinge samenhang bezien zijn deze gronden en de bijbehorende motivering voldoende om het onttrekkingsrisico te onderbouwen; zij kunnen de maatregel zelfstandig dragen.
Verblijfsbeëindiging – Arrest F.S.
Onder verwijzing naar het arrest F.S. van het Hof van Justitie EU van 22 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:506) hanteert de rechtbank de rechtsregel dat de rechter aan de hand van een algehele beoordeling van alle omstandigheden moet nagaan of de betrokkene zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Daarbij is met name van belang of het centrum van de persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat is overgebracht. Enkel fysiek vertrek uit Nederland volstaat niet (zie tevens ECLI:NL:RVS:2025:2760).
De rechtbank oordeelt dat de door eiser overgelegde stukken – een artsafspraak van 27 februari 2025, nachtopvang in april 2025, een correspondentieadres en contact met het kantoor voor Migratie en Integratie in Düsseldorf – hooguit aantonen dat eiser tussen 27 februari en 9 mei 2025 mogelijk in Duitsland heeft verbleven en zijn daklozenbestaan heeft voortgezet. Er ontbreekt elk bewijs van werkzaamheden, vaste woning of zoektocht daarnaar in Duitsland. Het verwijderingsbesluit is derhalve nog van kracht; eiser heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.
Herhaalde asielaanvraag en omzetting grondslag
Eiser heeft op 5 september 2025 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Diezelfde dag heeft de Minister in het voornemen aangegeven de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren wegens afwezigheid van nieuwe elementen of bevindingen, en is bij besluit op grond van artikel 3.1 Vb 2000 bepaald dat de uitzetting niet achterwege wordt gelaten. Dit besluit heeft tot gevolg dat de herhaalde aanvraag niet heeft geleid tot rechtmatig verblijf, zodat een omzetting van de grondslag van de maatregel niet aan de orde is. De beroepsgrond inzake het ontbreken van een zienswijze over het art. 3.1-besluit laat de rechtbank buiten behandeling: dit staat eiser open in een aparte procedure over de rechtmatigheid van dat besluit.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep ongegrond.
- Gevolgen: De bewaring was reeds opgeheven (10 september 2025); de maatregel heeft van aanvang tot opheffing rechtmatig geduurd.
- Schadevergoeding (art. 106 Vw 2000): Verzoek afgewezen.
Tarief (ter referentie): € 100/dag detentiecentrum | € 130/dag politiecel of uitzetcentrum met verhoogd regime.
- Proceskosten: Geen veroordeling.
- Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking van de uitspraak.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17238 – Hoofduitspraak
- ECLI:EU:C:2021:506 (Arrest F.S., HvJEU 22 juni 2021) – Rechtsregel: algehele beoordeling vereist of verblijf in EU-lidstaat daadwerkelijk en effectief beëindigd; enkel fysiek vertrek onvoldoende; doorslaggevend is of centrum persoonlijke/professionele/familiebelangen naar andere lidstaat is overgebracht
- ECLI:NL:RVS:2025:2760 – Afdeling bestuursrechtspraak past F.S.-criterium toe (uitspraak 20 juni 2025)
- Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 – Rechtsgrond bewaring ter voorbereiding verwijdering
- Artikel 5.1b, derde en vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000 – Zware en lichte gronden bewaring
- Artikel 3.1 Vreemdelingenbesluit 2000 – Besluit niet achterwege laten uitzetting ondanks (herhaalde) asielaanvraag
- Artikel 106 Vreemdelingenwet 2000 – Schadevergoeding bij onrechtmatige bewaring
- Artikel 6, Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn) – Recht op verblijf tot drie maanden voor EU-burgers
⚠️ Publicatiechecklist
- [x] Kopregel bevat alle zes elementen
- [⚠️] Zittingsplaats: De PDF-koptekst vermeldt uitsluitend “RECHTBANK DEN HAAG” zonder expliciete zittingsplaats — dit gegeven ontbreekt en is niet afgeleid. Navraag of aanvulling via het griffieregister aanbevolen alvorens te publiceren.
- [x] Zware gronden (3b, 3c, 3i) en lichte gronden (4a–4d) expliciet benoemd en onderscheiden
- [x] Bij elke jurisprudentieverwijzing de rechtsregel kort geduid
- [x] Alle links (ECLI/Wetgeving) opgenomen
- [x] Termijn rechtsmiddel vermeld (één week, ABRvS)