Rb. Den Haag | zp Amsterdam | 18-11-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:22928 | NL25.51938 (gegrond) en NL25.52593 (niet-ontvankelijk) | Vreemdelingenrecht — art. 6 lid 3 Vw 2000 | Gegrond (NL25.51938)
Feiten en Procesverloop
Op 1 oktober 2025 stelde de minister een asielzoeker in grensdetentie. Op 24 oktober 2025 ontving de minister een zittingsuitnodiging voor het asielberoep op 23 februari 2026 — na de 13-weekstermijn van de Opvangrichtlijn. De minister diende pas op 29 oktober een vervroegingsverzoek in; eiser stelde dat dit uiterlijk 27 oktober (twee werkdagen na 24 oktober) had gemoeten.
Overwegingen Rechtbank
- NL25.52593: niet-ontvankelijk (dubbel beroep).
- NL25.51938: tweedagenregel vervroegingsverzoek. ECLI:NL:RVS:2025:2925 — ratio: minister draagt risico van interne vertragingen; medewerker moet dossier tijdig bekijken. Verzoek twee dagen te laat: bewaring onrechtmatig 27–29 oktober.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: NL25.51938 gegrond; NL25.52593 niet-ontvankelijk.
- Gevolgen: bewaring reeds opgeheven.
- Schadevergoeding: EUR 200 (2 x EUR 100).
- PKV: EUR 1.814.
- Rechtsmiddel: hoger beroep ABRvS binnen één week.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2025:2925 — tweedagenregel vervroegingsverzoek; intern vertraging risico minister
- Art. 9 lid 1 Opvangrichtlijn 2013/33/EU — grensdetentie maximaal 13 weken
- Art. 106 Vw 2000 — schadevergoeding