Rb. Den Haag | 18-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:24418 | NL25.59424 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59 lid 1 sub a Vw | Ongegrond
Feiten/Procesverloop
Eiser, Pools onderdaan (geboren 1979), is op 3 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000, aansluitend op een strafrechtelijke detentie van 14 november tot en met 3 december 2025. Bij besluit van 24 juni 2024 was aan eiser al de plicht opgelegd Nederland te verlaten; hij heeft hier geen gevolg aan gegeven. Eiser leidt een zwervend bestaan, veroorzaakt overlast en heeft strafbare feiten gepleegd. De zaak werd schriftelijk behandeld.
Overwegingen
Verweerder erkent dat gedurende de strafrechtelijke detentie geen uitzettingshandelingen zijn verricht in strijd met Vc 2000 A5/6.12. De rechtbank oordeelt dat deze schending van de inspanningsverplichting niet zonder meer tot onrechtmatigheid leidt; er is ruimte voor een belangenafweging. Gelet op het aanzienlijke onttrekkingsrisico dat voortvloeit uit de onbetwiste gronden (3a, 3c, 3i; lichte gronden 4a, 4c, 4d), de langdurige niet-naleving van de vertrekplicht, het zwervende bestaan en de overlastgevende gedragingen, staan de met de bewaring gediende belangen in redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek.
Eiser betoogt dat zijn verblijf in Nederland rechtmatig is. De rechtbank verwerpt dit: uit het onherroepelijke vertrekbevel van 24 juni 2024 en het uitblijven van daadwerkelijk vertrek volgt het tegendeel.
Ten aanzien van de gestelde verplichting tot refoulementbeoordeling voor Polen overweegt de rechtbank dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel op Polen van toepassing is. Eiser heeft bij zijn gehoor — waarbij hij onder een deken in zijn cel bleef liggen — geen omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven tot toetsing in het kader van het Adrar-arrest.
Verweerder heeft na de oplegging van de bewaring voortvarend gehandeld: vertrekgesprek op 4 december, overdrachtsverzoek naar Polen op 5 december, akkoord op 8 december, vlucht geboekt op 9 december.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Noten
1. ABRvS 17 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:764 (inspanningsverplichting; belangenafweging)
2. ABRvS 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2131 (inspanningsverplichting)
3. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar)
4. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858