Vreemd verhaal: op Schiphol in lounge àchter de douane, maar zegt treinreiziger te zijn

Rb. Den Haag | 18-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:24417 | NL25.58767 | Vreemdelingenrecht – Grensdetentie art. 6 lid 3 Vw / Dublin Malta | Ongegrond

Feiten/Procesverloop

Eiser, houder van een geldig visum voor Malta, is op 22 november 2025 in de internationale lounge van Schiphol aangetroffen en op grond van artikel 6 lid 3 Vw 2000 in grensdetentie gesteld in het kader van een Dublinclaim op Malta. Eiser had eerder een explosie in Afghanistan overleefd waarbij hij één oog verloor; het andere oog was beschadigd. Op 2 december 2025 accepteerde Malta de claim; op 5 december 2025 werd de maatregel opgeheven in verband met een tijdelijke opschorting van Dublin-overdrachten aan Malta. De zaak werd schriftelijk behandeld.

Overwegingen

Eiser betoogt dat artikel 59a Vw 2000 de juiste grondslag had moeten zijn, omdat hij het Schengengebied al had betreden via Wenen en per trein van Antwerpen naar Schiphol was gereisd. De rechtbank verwerpt dit betoog. Het Eurodac-onderzoek toont geen eerdere Schengeninreis aan; het overgelegde treinticket bevat geen stempels of andere aanwijzingen voor een eerdere inreis. Schiphol wordt in zijn geheel beschouwd als grensdoorlaatpost (Vc 2000 A1/7.1), en de internationale lounge bevindt zich vóór de security en toegang tot Nederland. Artikel 6 lid 3 Vw is de juiste grondslag voor een asielzoeker op wie de Dublinverordening van toepassing is en aan wie de toegang tot Nederland nog niet is geweigerd.

Het betoog dat de minister de maatregel binnen 48 uur na acceptatie van de claim door Malta had moeten opheffen, slaagt evenmin. De Afdelingsjurisprudentie over de twee-dagenregel bij grondslagwijziging ziet op gevallen waarin de grondslag wegvalt; dat is hier niet aan de orde, aangezien artikel 6 lid 3 ook na de Malta-acceptatie de juiste grondslag bleef. De minister mocht de uitkomst van de claim afwachten.

Ten aanzien van de medische omstandigheden (verlies van één oog en beschadiging van het andere oog door een explosie) stelt de rechtbank vast dat deze op pagina 3 van de maatregel expliciet worden vermeld. Van een standaardoverweging is geen sprake. De zware grond 3a is terecht opgelegd nu eiser geen geldig paspoort heeft kunnen overleggen. De ambtshalve toetsing op grond van Adrar en het arrest van 8 november 2022 levert geen aanwijzingen op voor onrechtmatigheid.

Conclusie

Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Noten

1. ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829 (grondslag art. 6 lid 3 Vw bij Dublin)

2. ABRvS 6 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2024:1869 (twee-dagenregel grondslagwijziging)

3. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858

4. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar)

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder