Afdeling: bij te late omzetting schadevergoeding vanaf dag 1

ABRvS | 22-12-2025 | ECLI:NL:RVS:2025:6279 | 202501379/1/V3 | Vreemdelingenrecht – Hoger beroep bewaring; omzetting art. 59b → art. 59 | HB gegrond; EUR 400 schadevergoeding

Feiten/Procesverloop

Appellant werd op 7 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b lid 1 sub b en c Vw 2000 (eerste maatregel). Op 15 februari 2025 verklaarde de minister appellants vierde asielaanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a lid 1 sub d Vw 2000. In datzelfde asielbesluit had de minister abusievelijk vermeld de maatregel met drie maanden te verlengen; bij aanvullend besluit van 17 februari 2025 trok de minister deze verlenging in. Op 18 februari 2025 hief de minister de maatregel op en legde een nieuwe op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000 op. Rechtbank Den Haag zp Roermond (28 februari 2025, NL25.7189) verklaarde het beroep ongegrond, overwegende dat het tijdsverloop van één dag niet onrechtmatig was. Appellant stelde hoger beroep in.

Overwegingen

De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister bevoegd was de maatregel op grond van artikel 59b lid 3 Vw 2000 te verlengen. Artikel 59b lid 1 vereist rechtmatig verblijf; dat was na het asielbesluit van 15 februari 2025 niet meer aanwezig, nu op grond van artikel 82 lid 2 sub b Vw 2000 bij een niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 30a lid 1 sub d geen opschortende werking geldt. Daarmee verviel de grondslag van de bewaring op 15 februari 2025.

De minister had twee dagen om de grondslag om te zetten; dit is één dag te laat gedaan (op 18 in plaats van uiterlijk 17 februari). Daarmee handelde de minister onvoldoende voortvarend — hetgeen door de minister zelf bij de rechtbank ook is erkend.

De Afdeling grijpt dit aan om de rechtslijn te verduidelijken: wanneer de minister een maatregel niet binnen twee dagen omzet en dus onvoldoende voortvarend handelt, is de maatregel onrechtmatig vanaf de dag dat de wettelijke grondslag wegvalt — en niet pas vanaf de dag ná de twee-dagentermijn. De twee-dagentermijn is slechts een gunning voor voortvarend handelende ministers; zij brengt niet mee dat een bewaring zonder geldige grondslag gedurende die termijn rechtmatig kan zijn als de termijn wordt overschreden.

In dit geval is de bewaring onrechtmatig van 15 tot en met 18 februari 2025 (vier dagen).

Conclusie

Het hoger beroep van de minister is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Appellant ontvangt EUR 400 schadevergoeding (4 dagen × EUR 100) en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van EUR 2.721.

Noten

1. ABRvS 19 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4358 (art. 59b vereist rechtmatig verblijf)

2. ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1869 (twee-dagentermijn omzetting grondslag)

3. Rb. Den Haag zp Roermond 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16568

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder