Beoordeling refoulement niet in besluit, wel aangeleverd ter zitting Afdeling: akkoord

ABRvS | 18-12-2025 | ECLI:NL:RVS:2025:6114 | 202500731/1/V3 | Vreemdelingenrecht – Hoger beroep terugkeerbesluit en inreisverbod | HB gegrond; beroep gegrond; rechtsgevolgen in stand

Feiten/Procesverloop

Betrokkene, Colombiaanse onderdaan, ontving op 14 december 2023 een terugkeerbesluit (vertrekplicht binnen 28 dagen) en een inreisverbod, met gelijktijdige SIS-signalering. In het gehoor voorafgaand aan het besluit had betrokkene verklaard te vrezen voor haar man in Colombia, die haar zou hebben bedreigd. Rechtbank Den Haag zp Amsterdam (8 januari 2025, NL23.39803) verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, omdat de minister de identiteit en nationaliteit nader had moeten onderzoeken nadat de Koninklijke Marechaussee op 3 juni 2024 had vastgesteld dat betrokkene zich had geïdentificeerd met een als gestolen gesignaleerd document. De minister stelde hoger beroep in.

Overwegingen

De Afdeling constateert ambtshalve dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden: het gestolen paspoort als grondslag voor de vernietiging was door betrokkene niet aangevoerd in haar beroepschrift en evenmin op de zitting — zij en haar gemachtigde waren niet verschenen. Dit is in strijd met artikel 8:69 lid 1 Awb. Het hoger beroep is daarom gegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.

De Afdeling beoordeelt vervolgens het beroep zelf. Betrokkene betoogt terecht dat de minister haar vrees voor haar man bij de vaststelling van het terugkeerbesluit had moeten beoordelen. De minister stelde dat een refoulementbeoordeling alleen verplicht is als eerder een asielprocedure is doorlopen; de Afdeling verwerpt dit standpunt. Op grond van het Ararat-arrest (HvJEU 17 oktober 2024) geldt de verplichting om het non-refoulementbeginsel in acht te nemen in alle fasen van de terugkeerprocedure op grond van artikel 5 Terugkeerrichtlijn. Van een vreemdeling mag niet worden verlangd dat zij een asielaanvraag indient om dit beginsel te activeren.

Op verzoek van de Afdeling verstrekte de minister alsnog nadere inlichtingen. Daarin werd gemotiveerd dat betrokkene geen reël risico loopt op schending van non-refoulement bij terugkeer naar Colombia: betrokkene had zelf verklaard voor toerisme naar Nederland te zijn gekomen en terug te willen vanwege haar kinderen, haar man was bovendien eind 2023 naar Amerika vertrokken, en de landeninformatie over Colombia biedt geen steun voor een reël risico in de zin van artikel 4 EU Handvest. Betrokkene heeft deze nadere beoordeling niet concreet bestreden. De Afdeling oordeelt dat hiermee alsnog een deugdelijke refoulementbeoordeling is verricht en laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.

Conclusie

Het hoger beroep is gegrond; de rechtbankuitspraak wordt vernietigd. Het beroep van betrokkene is gegrond; het besluit van 14 december 2023 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van het beroep: EUR 907.

Noten

1. HvJEU 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat; refoulementbeoordeling in alle fasen terugkeerprocedure)

2. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar)

3. ABRvS 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178 (betekenis Ararat-arrest)

4. ABRvS 27 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:744 (onrechtmatige staandehouding tast terugkeerbesluit niet aan)

5. ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455 (instandlating rechtsgevolgen)

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder