Rb. Den Haag zp Rotterdam | 17-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:27125 | NL25.58914 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59 lid 1 sub a Vw | Ongegrond; proceskosten EUR 1.814
Feiten/Procesverloop
Eiser, Pools onderdaan, is op 1 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000, aansluitend op een strafrechtelijke detentie van 11 dagen (19 november – 1 december 2025). Eiser is in de tweede helft van 2025 herhaaldelijk in vreemdelingenbewaring gesteld en meermaals naar Polen uitgezet (28 juli 2025 en 2 oktober 2025). Hij heeft in korte tijd (vanaf oktober 2024) een omvangrijk strafblad in Nederland opgebouwd, waaronder geweld in het openbaar vervoer op 2 september 2025. De zitting vond plaats op 10 december 2025; voor 15 december 2025 stond een vlucht naar Polen gepland.
Overwegingen
De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden: op grond van Vc 2000 A5/6.12 had hij gedurende de strafrechtelijke detentie uitzettingshandelingen moeten verrichten om te voorkomen dat eiser aansluitend in vreemdelingenbewaring zou worden gesteld. Dit is nagelaten. Een dergelijke schending leidt echter niet zonder meer tot onrechtmatigheid van de bewaring; de rechtbank past de belangenafweging uit vaste Afdelingsjurisprudentie toe. Gelet op het aanzienlijke onttrekkingsrisico — eerdere onttrekking aan het toezicht, herhaalde terugkeer naar Nederland na uitzetting naar Polen, recidive — en de relatief korte strafrechtelijke detentie van 11 dagen, weegt de ernst van het gebrek niet op tegen de met de bewaring gediende belangen.
Het beroep op een lichter middel slaagt niet. De stelling dat eiser wil meewerken en EUR 226 beschikbaar heeft voor een buskaartje naar België is onvoldoende om het onttrekkingsrisico weg te nemen; de verklaring voldoet evenmin aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 59 lid 3 Vw 2000. Bovendien heeft eiser meermaals na uitzetting vrijwel direct de weg terug naar Nederland gevonden.
Ten aanzien van de voortvarendheid: verweerder is de identiteitskaart van eiser kwijtgeraakt — door DT&V erkend en afgekocht met EUR 50 — maar het terugkeer- en overdrachtsverzoek bij de Poolse autoriteiten (T&O) werd op 4 december 2025 ingediend en al op 5 december 2025 geaccepteerd. Maximaal één dag vertraging. Verweerder handelde voortvarend: vertrekgesprek op dag drie (3 december), T&O-aanvraag op dag vier, vlucht op 15 december 2025.
Bij de ambtshalve toetsing op grond van het Adrar-arrest en het arrest van 8 november 2022 zijn geen aanwijzingen gevonden dat non-refoulement of familie- en gezinsleven zich verzetten tegen verwijdering.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Vanwege het geconstateerde gebrek in het voortraject wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van EUR 1.814.
Noten
1. ABRvS 10 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2631 (inspanningsverplichting en belangenafweging)
2. ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829 (voortvarendheid; zevende dag)
3. ABRvS 2 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2045 (lichter middel art. 59 lid 3)
4. ABRvS 16 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2855 (lichter middel art. 59 lid 3)
5. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858
6. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar)