Drie dagen te late omzetting werkt niet door in volgende bewaring

ABRvS | 11-12-2025 | ECLI:NL:RVS:2025:5943 | BRS.25.000690 | Vreemdelingenrecht – Hoger beroep bewaring | HB gegrond

Feiten/Procesverloop

Betrokkene, Egyptisch onderdaan, werd op 7 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b lid 1 Vw 2000 (eerste maatregel). Op 16 mei 2025 trok hij zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielverzoek in, waarna de minister de maatregel uiterlijk op 18 mei 2025 had moeten omzetten in een maatregel op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000. De omzetting vond pas op 21 mei 2025 plaats — drie dagen te laat. Op diezelfde dag legde de minister de tweede maatregel op. Rechtbank Den Haag zp Groningen (2 juni 2025, NL25.23115) verklaarde beide maatregelen onrechtmatig en kende schadevergoeding toe van EUR 1.500 (15 dagen × EUR 100) alsmede EUR 2.721 proceskosten. De minister stelde hoger beroep in.

Overwegingen

De centrale rechtsvraag was of de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkt in de tweede maatregel, en welke betekenis toekomt aan het arrest Bouskoura (HvJEU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:868).

De Afdeling stelt voorop dat het vaste rechtspraak is dat de onrechtmatigheid van een eerdere maatregel een opvolgende maatregel niet automatisch onrechtmatig maakt, omdat voor een maatregel op een andere wettelijke grondslag afzonderlijke vereisten gelden. Het Hof van Justitie bevestigt dit in Bouskoura (punt 58): de vaststelling dat een maatregel onrechtmatig is, impliceert niet in alle gevallen dat de betrokkene onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld wanneer een andere autonome rechtsgrondslag de voortzetting rechtvaardigt.

Als uitzondering op dit uitgangspunt hanteert de Afdeling de lijn dat doorwerking wél kan plaatsvinden bij een ernstige schending van het recht op vrijheid. De Afdeling ziet in Bouskoura geen aanleiding deze uitzondering te wijzigen, nu het Hof de lidstaten in zijn bewoordingen enige ruimte laat („niet verplicht”, „in beginsel”) en de vereisten in punt 54 van het arrest betrekking hebben op elke afzonderlijke maatregel, niet op de doorwerkingsvraag.

Op de voorliggende zaak toegepast oordeelt de Afdeling dat drie dagen op een onjuiste wettelijke grondslag geen ernstige schending oplevert — ook niet in samenhang met de omstandigheid dat het ontbreken van medewerkers in het weekend geen bijzondere omstandigheid vormt. Ter vergelijking: in ECLI:NL:RVS:2023:2353 was wél een ernstige schending aanwezig, omdat meerdere gebreken leidden tot bijna een maand onrechtmatige vrijheidsontneming; in ECLI:NL:RVS:2023:3508 was negen dagen op onjuiste grondslag eveneens onvoldoende voor een ernstige schending. Van kwade trouw of misleiding door de minister is niet gebleken.

Ten aanzien van het lichter middel acht de Afdeling de zware gronden (3a, 3b, 3c, 3d en 3i) en lichte gronden (4a, 4b, 4c en 4d) onbetwist. De gestelde vertrekbereidheid is niet geconcretiseerd: betrokkene was eerder met onbekende bestemming vertrokken, had geen gebruik gemaakt van eerdere mogelijkheden om zelfstandig te vertrekken, en had gedurende een lange periode geen aantoonbare pogingen ondernomen om identiteitsdocumenten te verkrijgen. Een lichter middel kon niet volstaan. Voortvarend handelen is voldoende aangetoond door het voeren van een vertrekgesprek op dag twee (22 mei 2025) en het indienen van een laissez-passeraanvraag bij de Egyptische autoriteiten op dag drie (23 mei 2025).

Conclusie

Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover betrekking hebbend op de tweede maatregel, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding voor de periode van de tweede maatregel af.

Noten

1. HvJEU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:868 (Bouskoura), punten 53–54 en 58

2. ABRvS 16 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2353

3. ABRvS 12 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2083

4. ABRvS 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1206

5. ABRvS 28 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6909

6. ABRvS 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:885

7. ABRvS 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508

8. ABRvS 16 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2855

9. EHRM 29 januari 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903 (Saadi t. Verenigd Koninkrijk)

10. HvJEU 15 februari 2016, ECLI:EU:C:2016:84 (N.)

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder