Rb. Den Haag zp Rotterdam | 12-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:26799 | NL25.59336 | Vreemdelingenrecht – Vervolgberoep bewaring | Ongegrond
Feiten/Procesverloop
Eiser, Algerijns onderdaan, is op 9 oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000. Een eerder vervolgberoep (NL25.49303, uitspraak 28 oktober 2025) leidde tot het oordeel dat de bewaring tot dat moment rechtmatig was. In het onderhavige vervolgberoep stelt eiser dat het zicht op uitzetting is komen te vervallen, nu de Algerijnse autoriteiten het laissez-passer-traject op 22 november 2025 hebben afgesloten omdat zijn identiteit en nationaliteit niet konden worden bevestigd. De zaak is schriftelijk behandeld.
Overwegingen
De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Ten aanzien van eisers specifieke situatie overweegt de rechtbank dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de regievoerder contact kan opnemen met de landverantwoordelijke indien eiser een Algerijnse identiteitskaart of paspoort kan overleggen. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek van 25 november 2025 aangegeven wél over een identiteitskaart te beschikken, maar niet te willen zeggen waar deze zich bevindt. Nu er vanuit detentie geen belemmeringen zijn om documenten aan te leveren, valt de onmogelijkheid om het laissez-passer-traject voort te zetten binnen eisers eigen invloedsfeer. Op eiser rust de verplichting om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en het laissez-passer-traject.
Bij de ambtshalve toetsing — waartoe de rechtbank op grond van het HvJEU-arrest van 8 november 2022 gehouden is — zijn geen aanwijzingen gevonden dat het beginsel van non-refoulement of het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen eisers verwijdering. De rechtbank past daarbij ook het Adrar-arrest van 4 september 2025 toe, dat verplicht tot ambtshalve toetsing van non-refoulement en gezinsbelangen bij bewaringsmaatregelen ter voorbereiding van terugkeer.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Noten
1. ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892
2. ABRvS 15 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2842
3. ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722
4. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858
5. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar)