Eerste advocaat niet bij gehoor. Geen plicht om te wijzen op andere advocaat

Rb. Den Haag zp Arnhem | 15-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:24125 | NL25.58010 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59 lid 1 sub a Vw | Ongegrond

Feiten/Procesverloop

Eiser is op 25 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000. Eerder was hij ook in bewaring gesteld op grond van artikel 59b Vw 2000; het beroep tegen die maatregel werd op dezelfde dag behandeld (NL25.58009). Eiser betoogde (1) dat de onrechtmatigheid van de eerdere bewaring doorwerkt in de onderhavige maatregel, en (2) dat zijn recht op rechtsbijstand tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling was geschonden omdat de piketmelding uitging naar dezelfde advocaat als in de vorige procedure en hij onvoldoende was geïnformeerd over de mogelijkheid een andere advocaat in te schakelen. De zaak werd behandeld op zitting van 9 december 2025.

Overwegingen

Ten aanzien van het doorwerkingsbetoog oordeelt de rechtbank dat op dezelfde dag uitspraak wordt gedaan in het beroep betreffende de eerdere maatregel (NL25.58009), waarbij wordt geoordeeld dat het recht op rechtsbijstand bij die eerdere bewaring niet is geschonden. Er is daarmee geen sprake van een onrechtmatigheid die in de onderhavige maatregel kan doorwerken.

Ten aanzien van de rechtsbijstand bij het gehoor overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal blijkt dat de gehoormedewerker de advocaat van de vorige procedure telefonisch heeft bereikt. Die advocaat gaf aan de belangen van eiser te zullen behartigen, maar niet aanwezig te kunnen zijn bij het gehoor. Aan eiser is kenbaar gemaakt dat zijn advocaat niet aanwezig zou zijn en dat alle stukken naar de advocaat zouden worden verzonden. Eiser stemde ermee in het gesprek voort te zetten. De gehoormedewerker was niet gehouden een andere advocaat in te lichten: bij een hernieuwde inbewaringstelling schrijft Vc 2000 A5/6.5 voor dat de advocaat die in de eerdere bewaringsprocedure bijstond, wordt bericht over de voorgenomen inbewaringstelling. Aan dit vereiste is voldaan.

De zware en lichte gronden worden door eiser niet betwist. Ook ambtshalve zijn geen aanwijzingen gevonden voor onrechtmatigheid, mede gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 4 september 2025 (Adrar) en 8 november 2022.

Conclusie

Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Noten

1. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar)

2. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder