Zicht uitzetting ontbreekt als nationaliteit niet bevestigd kan worden en geen nader onderzoek plaatsvindt

Rb. Den Haag zp Middelburg | 15-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:23984 | NL25.59292 | Vreemdelingenrecht – Vervolgberoep bewaring | Gegrond; EUR 1.200 schadevergoeding

Feiten/Procesverloop

Eiser, Algerijns onderdaan (geboren 2001), is op 15 juli 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000. Eerdere beroepen leidden tot uitspraken op 7 augustus 2025 en in het vervolgberoep, waarbij de bewaring steeds tot het moment van sluiting van het onderzoek (21 oktober 2025) rechtmatig werd bevonden. In het onderhavige vervolgberoep heeft verweerder de bewaring op 9 december 2025 opgeheven onder verwijzing naar een belangenafweging, zonder die nader toe te lichten. De rechtbank heeft de zaak schriftelijk behandeld en het onderzoek op 10 december 2025 gesloten.

Overwegingen

Op 22 november 2025 lieten de Algerijnse autoriteiten weten dat eiser niet in hun registratiesysteem was terug te vinden; zijn nationaliteit kon daarmee niet worden bevestigd. Op 28 november 2025 voerde verweerder een vertrekgesprek. Uit dat gesprek bleek aandacht voor de mogelijkheid van een Marokkaanse nationaliteit, maar verweerder heeft niet overwogen bij de Marokkaanse autoriteiten — of enig ander land — een laissez-passeraanvraag in te dienen, noch enige andere verdere actie ondernomen.

De rechtbank oordeelt dat de bewaring tot en met 27 november 2025 rechtmatig was: ook na de negatieve berichtgeving van de Algerijnse autoriteiten op 22 november heeft verweerder op 28 november nog een vertrekgesprek gehouden, zodat van voldoende voortvarendheid tot die datum sprake was. Vanaf 28 november 2025 zijn echter geen vertrekhandelingen meer verricht en is ook niet gebleken van zicht op uitzetting naar een ander land dan Algerije. Daarmee is de bewaring met ingang van 28 november 2025 onrechtmatig geworden.

De schadevergoeding bedraagt EUR 1.200 voor 12 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming (28 november tot en met 9 december 2025, verblijf detentiecentrum à EUR 100 per dag).

Conclusie

Het beroep is gegrond. De bewaring was onrechtmatig vanaf 28 november 2025. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van EUR 1.200 schadevergoeding en EUR 907 proceskosten.

Noten

1. Rb. Den Haag zp Middelburg 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14745

2. Rb. Den Haag zp Middelburg (vervolgberoep), ECLI:NL:RBDHA:2025:19308

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder