Rb. Den Haag zp Arnhem | 08-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:23316 | NL25.57100 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59b lid 1 sub b Vw | Ongegrond
Feiten/Procesverloop
Eiser werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59b lid 1 sub b Vw 2000. Het asielverzoek was formeel ingetrokken op 28 november 2025, maar eiser had ter gelegenheid van een opvolgend gehoor alsnog een asielwens geuit, die werd geïnterpreteerd als een nieuwe asielaanvraag. De maatregel werd omgezet nadat deze asielwens was geregistreerd. Eiser betoogde dat de omzetting te laat had plaatsgevonden. Tevens had de hercontrole van de woning plaatsgevonden op grond van Vc 2000 A2/2.1. Non-refoulementtoetsing ten aanzien van Tunesië was aan de orde.
Overwegingen
De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring tijdig is omgezet. (…) eiser is van 28 november 2025 tot 1 december 2025 toch op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring is gehouden. Dat is gedaan zodat kon worden beoordeeld of een overdracht naar Tunesië in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement. Dit was namelijk nog niet eerder gebeurd, omdat eisers eerste asielaanvraag niet in behandeling is genomen omdat hij met onbekende bestemming was vertrokken.
Naar het oordeel van de rechtbank was de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 vanaf 28 november 2025 niet onrechtmatig, omdat eiser ondanks dat hij zijn asielverzoek had ingetrokken toch een asielwens had. Dit blijkt uit zijn verklaringen.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat het uiten van een asielwens voldoende is om als asielverzoek te worden aangemerkt. De minister heeft daarom, ondanks de formele intrekking van het asielverzoek, terecht besloten om eerst te onderzoeken of er mogelijk een risico bestond op schending van het beginsel van non-refoulement en niet meteen de bewaring op te heffen. De beroepsgrond slaagt niet.
De hercontrole van de woning op grond van Vc 2000 A2/2.1 was rechtmatig, nu er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond.
Bij de ambtshalve toetsing — mede in het licht van het Adrar-arrest van 4 september 2025 — concludeert de rechtbank dat er geen aanwijzingen zijn dat non-refoulement of familieleven zich verzetten tegen verwijdering naar Tunesië.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Noten
1. ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:159
2. ABRvS 21 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:479
3. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar)
4. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858