Rb. Den Haag zp Arnhem | 08-12-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:23317 | NL25.57099 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59 lid 1 sub a Vw | Ongegrond; proceskosten EUR 1.814
Feiten/Procesverloop
Eiser, Marokkaans onderdaan, werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000. Hij betoogde dat zijn lopende asielaanvraag in Spanje hem rechtmatig verblijf gaf in de zin van artikel 8 Vw 2000 in Nederland, zodat artikel 59 lid 1 sub a niet de juiste grondslag was. Tevens stelde hij dat artikel 104 Vw 2000 (vertrouwelijkheid van het contact met de rechtsbijstandverlener) was geschonden doordat een verbalisant aanwezig was bij het rechtsbijstandsgesprek zonder dat dit aan de advocaat was medegedeeld (de politie hield de vaste telefoon en de eigen diensttelefoon met daarop de tolk bij elkaar om een driegesprek mogelijk te maken, blijkt uit proces-verbaal en uit de uitspraak), De zitting vond schriftelijk plaats.
Overwegingen
De rechtbank oordeelt dat een lopende asielaanvraag in een andere EU-lidstaat (Spanje) geen rechtmatig verblijf in Nederland oplevert in de zin van artikel 8 Vw 2000. Artikel 59 lid 1 sub a Vw 2000 is dan ook de juiste grondslag.
Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 104 Vw 2000 stelt de rechtbank vast dat een verbalisant aanwezig was bij het telefoongesprek met de advocaat zonder dat dit aan de advocaat zo uitdrukkelijk was medegedeeld. Dit levert een schending op van de vertrouwelijkheid die in artikel 104 Vw 2000 is gewaarborgd. Bij toepassing van de belangenafweging van artikel 94 lid 6 Vw 2000 leidt dit gebrek echter niet tot onrechtmatigheid van de bewaring, gelet op de onderbouwde bewaringsgronden en het ontbreken van wezenlijk nadeel voor eiser.
Bij de ambtshalve toetsing in het licht van het Adrar-arrest worden geen bezwaren gevonden tegen verwijdering.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Vanwege de vastgestelde schending van artikel 104 Vw 2000 wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van EUR 1.814.
Noten
1. ABRvS 20 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7722
2. HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar)
3. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858