Geen uitzetting door lopende art. 64: bewaring onterecht, geen zicht op uitzetting meer

Rb. Den Haag | zp Middelburg | 10-07-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:12292 | NL25.27865 | Vreemdelingenrecht (art. 59 lid 1 sub a Vw 2000) | Beroep gegrond


Feiten en Procesverloop

Eiser (gestelde Nigeriaanse nationaliteit, geboren 1980) is op 20 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Eiser had op 2 juni 2025 — derhalve vóór de inbewaringstelling — een aanvraag ingediend om toepassing van art. 64 Vw 2000 (uitstel van vertrek wegens medische omstandigheden). Verweerder was bij de oplegging van de maatregel op de hoogte van deze aanvraag.

Chronologie:

  • | 2 juni 2025 | Eiser dient art. 64-aanvraag in |
  • | 20 juni 2025 | Verweerder legt bewaring op (bekende art. 64-aanvraag) |
  • | 2 juli 2025 | Eerste zitting; aanvang nadere behandeling |
  • | 9 juli 2025 om 11:35 | Vlucht gepland; gemachtigde dient verzoek voorlopige voorziening in |
  • | 9 juli 2025 | Verweerder annuleert vlucht vanwege art. 64-aanvraag; verzoek vv ingetrokken |
  • | 9 juli 2025 | Nadere zitting |
  • | 10 juli 2025 | Uitspraak; opheffing bewaring |

Overwegingen Rechtbank

Zicht op uitzetting — ontbreken:

Verweerder heeft de voor 9 juli 2025 geplande vlucht geannuleerd in verband met de behandeling van eisers art. 64-aanvraag. Het is niet bekend wanneer op die aanvraag zal worden beslist. De rechtbank oordeelt dan ook dat zicht op uitzetting ontbreekt.

Omdat verweerder al bij het opleggen van de maatregel op 20 juni 2025 op de hoogte was van de ingediende art. 64-aanvraag van 2 juni 2025, is de bewaring van meet af aan onrechtmatig.

Verzoek voorlopige voorziening:

Het enkele indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening door de gemachtigde leidt op zichzelf niet tot het ontbreken van zicht op uitzetting — dat is slechts het geval als de rechter het verzoek toewijst. Hier heeft verweerder de vlucht zelf geannuleerd, los van de uitkomst van het vv-verzoek. Dat is de beslissende grond voor het ontbreken van uitzichtsperspectief.


Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep gegrond; maatregel onrechtmatig van aanvang af; opheffing bevolen per 10 juli 2025.
  • Schadevergoeding: € 2.100,- (21 dagen × €100 verblijf detentiecentrum).
  • Proceskosten: € 2.267,50 (1 punt beroepschrift + 1 punt zitting 2 juli 2025 + 0,5 punt nadere zitting × €907).
  • Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder