Rb. Den Haag | zp Rotterdam | 17-06-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:10740 | NL25.24349 | Vreemdelingenrecht (art. 59 lid 1 sub a Vw 2000 / art. 106 Vw 2000) | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser (nationaliteit niet vermeld) is op 28 mei 2025 in bewaring gesteld op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Terwijl hij in bewaring zat, diende hij op 30 mei 2025 een tweede Chavez-aanvraag (verblijfsvergunning op grond van EU-gezinsband) in. Verweerder hief de bewaring op 2 juni 2025 op. De zitting vond plaats op 11 juni 2025.
Omdat de bewaring reeds was opgeheven, beperkt de beoordeling zich tot de vraag of de tenuitvoerlegging op enig moment onrechtmatig was en of schadevergoeding toekomt.
Overwegingen Rechtbank
Tijdstip opheffing — procedureel verblijf door Chavez-aanvraag?
Eiser betoogt dat verweerder de bewaring op 30 mei 2025 al had moeten opheffen, omdat hij op die datum door het indienen van de tweede Chavez-aanvraag procedureel rechtmatig verblijf had verkregen en de grondslag voor de bewaring daarmee was weggevallen.
Verweerder stelt dat de aanvraag uitsluitend is ingediend met het doel invrijheidstelling te bewerkstelligen en uitzetting te voorkomen — en dus misbruik van recht oplevert.
Misbruik van recht — twee-elementen-toets:
Onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2024:27112 — misbruik van recht vereist: (1) een geheel van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat het doel van de Unierechtelijke regeling niet wordt bereikt ondanks formele naleving van de vereisten, én (2) een subjectief element, namelijk de bedoeling om kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op het voordeel ontstaat — oordeelt de rechtbank:
- Objectief element: Het doel van de Chavez-regeling (bescherming van de EU-burgerrechtelijke familieverhouding) werd in dit geval niet bereikt. Eiser had de benodigde bewijsstukken voor de aanvraag moeten verzamelen vóórdat hij de aanvraag indiende, niet daarna.
- Subjectief element: De omstandigheden maken aannemelijk dat de aanvraag uitsluitend is gedaan met de intentie invrijheidstelling te bewerkstelligen en uitzetting te voorkomen.
De rechtbank oordeelt dan ook dat geen procedureel rechtmatig verblijf is ontstaan door de Chavez-aanvraag van 30 mei 2025. De bewaring is niet eerder dan op 2 juni 2025 onrechtmatig geworden. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing:
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de maatregel op enig ander moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep ongegrond.
- Schadevergoeding: Afgewezen (bewaring was tot 2 juni 2025 rechtmatig; daarna door verweerder zelf opgeheven).
- Proceskosten: Geen veroordeling.
- Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2024:27112 — ABRvS 2024: misbruik van recht bij Chavez-aanvraag vereist zowel een objectief element (doel Unierechtelijke regeling niet bereikt ondanks formele naleving) als een subjectief element (intentie om kunstmatig de voorwaarden te creëren); aanvrager dient bewijsstukken te verzamelen vóór indiening.
- ECLI:EU:C:2022:858 — HvJ EU 8 november 2022: bewaring vormt een ernstige inmenging op het recht op vrijheid en is alleen rechtmatig bij een geldige wettelijke grondslag.
- Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 — bewaring ter fine van terugkeer.
- Artikel 106, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 — schadevergoeding bij onrechtmatige (voortgezette) bewaring.
Wilt u verdergaan met het volgende document?
