Herstel foute 1e grondslag werkt niet door in opvolgende bewaring

Rb. Den Haag | zp Utrecht | 16-06-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:10751 | NL25.19124 & NL25.19128 | Vreemdelingenrecht (art. 59 lid 1 sub a Vw 2000 / art. 62 Vw 2000) | Beide beroepen ongegrond


Feiten en Procesverloop

Eiser (geboren 1989; nationaliteit niet vermeld) is op 23 april 2025 om 12:13 uur in bewaring gesteld op grond van art. 59, tweede lid, Vw 2000. Diezelfde dag om 13:53 uur heeft de minister een nieuwe maatregel opgelegd op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, alsmede een terugkeerbesluit op grond van art. 62 Vw 2000. De eerste maatregel (art. 59 lid 2) wordt buiten beschouwing gelaten nu de tweede maatregel voorwerp van dit geding is. Bewaring opgeheven op 1 mei 2025. Zitting: 6 mei 2025. De beoordeling beperkt zich tot de vraag of schadevergoeding toekomt.


Overwegingen Rechtbank

1. Schottentheorie — doorwerking onrechtmatigheid eerste maatregel:

Eiser betoogt dat de eerste maatregel (art. 59 lid 2 Vw) op de verkeerde grondslag was opgelegd en dat die onrechtmatigheid doorwerkt naar de opvolgende maatregel (art. 59 lid 1 sub a Vw), zodat ook de tweede maatregel onrechtmatig is.

De rechtbank verwerpt dit. De schottentheorie houdt in dat onrechtmatigheid in een eerdere inbewaringstelling in beginsel niet doorwerkt naar een latere inbewaringstelling. Hiervan kan slechts worden afgeweken bij een ernstige schending van een fundamenteel recht of een opeenstapeling van ernstige gebreken. Van een bewuste oplegging van de verkeerde maatregel is niet gebleken; zodra de minister zich bewust werd van de fout, heeft hij direct een juiste maatregel opgelegd. Gesteld noch gebleken is dat sprake was van een ernstige schending of opeenstapeling. De beroepsgrond slaagt niet.

2. Staandehouding — toetsing bevoegdheden buiten de Vw:

Eiser voert aan dat de staandehouding onrechtmatig was. De vreemdelingenrechter toetst niet de aanwending van bevoegdheden die niet bij of krachtens de Vw zijn toegekend, tenzij de onrechtmatigheid door de daartoe bevoegde rechter is vastgesteld. Dat is niet het geval. De beroepsgrond slaagt niet.

3. Bewaringsgronden (art. 5.1b Vb 2000):

  • Zware gronden:
  • 3a – onregelmatige binnenkomst: betwist; blijft onbesproken.
  • 3b – onttrekking aan toezicht: niet betwist; feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
  • 3c – niet-naleving vertrekplicht: niet betwist; feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
  • Lichte gronden:
  • 4c – geen vaste woon-/verblijfplaats en 4d – onvoldoende middelen: betwist; blijven onbesproken nu 3b en 3c de maatregel reeds dragen.

De niet-betwiste zware gronden 3b en 3c dragen de maatregel zelfstandig; het risico op onttrekking staat daarmee vast. Onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2023:2829 — feitelijke toelichting van de gronden volstaat — slagen eisers overige gronden niet.

4. Ambtshalve toetsing:

De rechtbank constateert geen grond om te oordelen dat de maatregel op enig moment vóór sluiting van het onderzoek onrechtmatig was.


Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beide beroepen (bewaring en terugkeerbesluit) ongegrond.
  • Schadevergoeding: Afgewezen.
  • Proceskosten: Geen veroordeling.
  • Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder