Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State | 12-06-2025 | ECLI:NL:RVS:2025:2667 | 202304297/1/V3 | Vreemdelingenrecht | Hoger beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2023 heeft de staatssecretaris betrokkene (Marokkaanse nationaliteit) in bewaring gesteld op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Aan betrokkene was eerder, op 19 december 2022, reeds een maatregel van bewaring opgelegd die ononderbroken had voortgeduurd tot 14 juni 2023 — derhalve bijna zes maanden. Op 14 juni 2023 is die maatregel opgeheven omdat betrokkene twee dagen strafdetentie diende uit te zitten (twee vonnissen van 23 maart 2023, ontvangen op 13 juni 2023, elk één dag gevangenisstraf). Aansluitend aan de strafdetentie is op 16 juni 2023 opnieuw een maatregel van bewaring opgelegd, waarmee een nieuwe termijn van zes maanden begon te lopen.
De rechtbank Den Haag, zp Middelburg, verklaarde het beroep bij uitspraak van 30 juni 2023 gegrond, beval de opheffing van de maatregel en kende schadevergoeding toe. De minister stelde daartegen hoger beroep in.
De minister stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van misbruik van bevoegdheid en het ontbreken van een verzwaarde belangenafweging.
Overwegingen Afdeling
De zaak is behandeld met toepassing van art. 8:54, eerste lid, Awb (vereenvoudigde behandeling).
- Verzwaarde belangenafweging bij detentie langer dan zes maanden: De feitelijke detentie van betrokkene heeft langer dan zes maanden geduurd. Onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2023:2831 — bij detentie langer dan zes maanden moet de minister in het besluit tot inbewaringstelling een verzwaarde belangenafweging maken die kenbaar en toetsbaar is — oordeelt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de minister dat in dit geval niet heeft gedaan.
- Overige gronden: Nu de onrechtmatigheid op dit punt vaststaat, behoeven de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking.
- Geen nadere motivering: Op grond van art. 91, tweede lid, Vw 2000 behoeft dit oordeel niet verder te worden gemotiveerd, nu het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Hoger beroep ongegrond. Uitspraak van Rb. Den Haag, zp Middelburg van 30 juni 2023 bevestigd.
- Schadevergoeding: Reeds toegewezen in eerste aanleg (zie bijlage).
- Proceskosten hoger beroep: €907 ten laste van de minister.
- Rechtsmiddel: Geen gewoon rechtsmiddel meer open (uitspraak in hoger beroep).
Noten
- ECLI:NL:RVS:2023:2831 — ABRvS 21 juli 2023: bij een feitelijke detentie van langer dan zes maanden moet de minister in het besluit tot inbewaringstelling een verzwaarde belangenafweging maken; deze afweging moet kenbaar en toetsbaar zijn.
- Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 — bewaring ter fine van terugkeer.
- Artikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 — vereenvoudigde afdoening hoger beroep zonder rechtsvragen van algemeen belang.
- Artikel 8:54, eerste lid, Awb — vereenvoudigde behandeling.
Bijlage – Kern onderliggende uitspraak
Strafdetentie van twee dagen ingezet als middel om zes-maandentermijn te resetten: misbruik van bevoegdheid
Rb. Den Haag | zp Middelburg | 30-06-2023 | ECLI:NL:RBDHA:2023:9762 | NL23.17651 | Vreemdelingenrecht | Beroep gegrond
Kern:
Betrokkene (Marokkaanse nationaliteit) zat van 19 december 2022 tot 14 juni 2023 ononderbroken in vreemdelingenbewaring — bijna zes maanden. Op 13 juni 2023, enkele dagen vóór het verstrijken van die termijn, ontving de staatssecretaris twee vonnissen van 23 maart 2023 (elk één dag gevangenisstraf). Hij hief de bewaring op 14 juni 2023 op zodat betrokkene twee dagen strafdetentie kon uitzitten, en legde op 16 juni 2023 onmiddellijk een nieuwe maatregel op — waardoor een nieuwe termijn van zes maanden begon te lopen.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zijn bevoegdheid voor een onjuist doel heeft gebruikt (art. 3:3 Awb): de timing van de tenuitvoerlegging (pas op het allerlaatste moment, terwijl de vonnissen al maanden beschikbaar waren) diende er kennelijk toe de zes-maandentermijn te omzeilen. De feitelijke detentie duurde inmiddels langer dan zes maanden zonder dat een verzwaarde belangenafweging heeft plaatsgevonden. Dit maakt de nieuwe bewaringsmaatregel van aanvang af onrechtmatig.
- Schadevergoeding: €1.500 (15 dagen × €100, detentiecentrum).
- Proceskosten: €1.674.