Rb. Den Haag | zp Groningen | 13-06-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:10340 | NL25.23828 | Vreemdelingenrecht (art. 59 lid 1 sub a Vw 2000 — vervolgberoep) | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser (Tunesische nationaliteit) zit sinds 6 maart 2025 in bewaring — aanvankelijk op grond van art. 59b Vw 2000 (asielgrond). Op 8 april 2025 is een nieuwe maatregel opgelegd op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 (terugkeer). Ten tijde van de zitting op 6 juni 2025 duurde de totale aaneengesloten vrijheidsontneming ruim 3 maanden (ca. 92 dagen).
De rechtbank heeft de maatregel eerder getoetst bij uitspraak van 25 april 2025. Het onderhavige beroep betreft uitsluitend de periode ná het sluiten van dat onderzoek op 18 april 2025. Eiser heeft de beroepsgrond over voortvarendheid ter zitting ingetrokken. Eiser stelt dat zicht op uitzetting naar Tunesië ontbreekt: er is nog geen presentatie bij de Tunesische autoriteiten gepland en uitzettingen vinden in het algemeen weinig plaats.
Overwegingen Rechtbank
Zicht op uitzetting – Tunesië-statistieken 2024 (ter zitting door minister gepresenteerd):
| LP-aanvragen ingediend | 90 |
| Nationaliteiten bevestigd | 25 |
| Laisser-passers afgegeven | 14 (15,6% van aanvragen) |
| Uitzettingen op basis van LP | 9 (64% van afgegeven LP’s) |
Onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2023:3990 — zicht op uitzetting naar Tunesië ontbreekt in het algemeen niet, ook al zijn de aantallen beperkt — en ECLI:NL:RVS:2025:275 — medewerking aan uitzetting is een rechtsplicht van de vreemdeling — oordeelt de rechtbank dat de cijfers aantonen dat de Tunesische autoriteiten in zekere mate meewerken. De lp-aanvraag van eiser loopt nog niet zodanig lang dat een lp niet binnen afzienbare tijd te verwachten is.
Eiser werkt niet mee: Uit het vertrekgesprek van 4 juni 2025 blijkt dat eiser geen volledige medewerking verleent aan zijn uitzetting. Dit weegt mee bij de beoordeling van het zicht op uitzetting.
Bewaring art. 59b verhinderde uitzettingshandelingen: De periode van bewaring op grond van art. 59b Vw (6 maart – 8 april 2025) heeft de minister belet uitzettingshandelingen te verrichten. Dit maakt de voortdurende bewaring echter niet onrechtmatig.
Voortvarend handelen — concrete acties na 18 april 2025:
| 1 mei 2025 | Schriftelijk rappel lp-aanvraag |
| 6 mei 2025 | Vertrekgesprek |
| 21 mei 2025 | Schriftelijk rappel lp-aanvraag |
| 4 juni 2025 | Vertrekgesprek |
De rechtbank acht 2 rappellen en 2 vertrekgesprekken in de periode van ca. 7 weken voldoende voortvarend.
Lichter middel: Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding hadden moeten geven tot een lichter middel. De rechtbank ziet evenmin aanleiding daartoe.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep ongegrond; bewaring blijft voortduren.
- Totale detentieduur t/m uitspraak: ca. 99 dagen (6 maart – 13 juni 2025), waarvan 66 dagen onder art. 59 lid 1 sub a Vw (8 april – 13 juni 2025).
- Schadevergoeding: Afgewezen.
- Proceskosten: Geen veroordeling.
- Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2023:3990 — ABRvS 2023: zicht op uitzetting naar Tunesië ontbreekt in het algemeen niet; beperkte aantallen afgegeven laisser-passers sluiten zicht op uitzetting niet uit.
- ECLI:NL:RVS:2025:275 — ABRvS 2025: medewerking aan uitzetting is een rechtsplicht van de vreemdeling; gebrek aan medewerking wordt hem tegengeworpen bij beoordeling zicht op uitzetting.
- Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 — bewaring ter fine van terugkeer.
- Artikel 96, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 — toetsingsgrond vervolgberoep voortduring bewaring.