Bewaring – Onvoldoende voortvarendheid – ECLI:NL:RBDHA:2025:498
Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 15-01-2025 | NL25.952 | Bewaring – Onvoldoende voortvarendheid – Schadevergoeding | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Tunesische nationaliteit, is op 11 december 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. De bewaring was gericht op uitzetting naar Tunesië.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Dit beroep wordt tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Tijdens het vertrekgesprek op 2 januari 2025 is vastgesteld dat eisers vingerafdrukken niet voorkomen in de systemen van Tunesië. De minister heeft nadien geen laissez-passer (lp) -traject opgestart en uitsluitend nog een vertrekgesprek gevoerd. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is en dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt.
Overwegingen Rechtbank
- Zicht op uitzetting
- De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2023:3990) bevestigd dat Tunesië in 2022 en 2023 laissez-passers afgaf en dat uitzettingen naar Tunesië hebben plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat dit beleid is gewijzigd.
- De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting, aangezien hij geen pogingen heeft ondernomen om documenten te verkrijgen of contact op te nemen met de Tunesische autoriteiten.
- De rechtbank oordeelt dat zicht op uitzetting in algemene zin niet ontbreekt.
- Voortvarendheid van de minister
- De rechtbank benadrukt dat de minister actief moet werken aan uitzetting en niet mag afwachten tot de vreemdeling zelf actie onderneemt.
- Uit het vertrekgesprek van 2 januari 2025 blijkt dat de minister geen nieuwe lp-aanvraag is gestart en alleen nog een vertrekgesprek heeft gevoerd. Op de zitting heeft de minister bevestigd dat hij geen verdere stappen onderneemt, omdat eiser onbekend is bij de Tunesische autoriteiten.
- De rechtbank oordeelt dat enkel het voeren van vertrekgesprekken niet voldoende voortvarend is. De minister had een lp-traject moeten opstarten of andere inspanningen moeten verrichten.
- Gevolgen van het gebrek aan voortvarendheid
- De bewaring is vanaf 2 januari 2025 onrechtmatig, omdat vanaf dat moment geen voortvarende inspanningen zijn geleverd om de uitzetting te realiseren.
- De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 15 januari 2025.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep gegrond.
- Gevolgen: De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring.
- Schadevergoeding: €1.400 (14 dagen onrechtmatige bewaring à €100 per dag).
- Proceskosten: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €1.814 aan proceskostenvergoeding.
Geef een reactie