Rb. Amsterdam: gegrondverklaard asielberoep maakt bewaring met terugwerkende kracht onrechtmatig. Schadevergoeding

Bewaring – Onrechtmatige voortduring – ECLI:NL:RBDHA:2025:312

Rb. Den Haag (zp Amsterdam) | 10-01-2025 | NL24.47723 | Bewaring – Onrechtmatige voortduring – Schadevergoeding | Beroep gegrond

Feiten en Procesverloop

Eiser, [nationaliteit niet expliciet vermeld in de uitspraak], is op 20 september 2024 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, Vw 2000. Hij heeft op 23 september 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 1 oktober 2024 als kennelijk ongegrond afgewezen. Eiser stelde op 6 oktober 2024 beroep in tegen deze afwijzing.

Op 9 oktober 2024 is de grensdetentie van eiser omgezet naar een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, Vw 2000. Tegen deze maatregel stelde eiser op 11 oktober 2024 beroep in. De rechtbank verklaarde dit beroep op 28 oktober 2024 ongegrond. Op 22 november 2024 verklaarde de rechtbank echter het beroep tegen de asielafwijzing gegrond. Op 25 november 2024 verklaarde de rechtbank het vervolgberoep tegen de bewaring ongegrond. Naar aanleiding van de uitspraak van 22 november 2024 werd de bewaring op 25 november 2024 opgeheven.

Eiser stelde op 2 december 2024 een vervolgberoep in en verzocht om herziening van de eerdere uitspraken van 28 oktober 2024 en 25 november 2024, alsmede om schadevergoeding vanaf 9 oktober 2024.

Overwegingen Rechtbank

  1. De rechtbank overweegt dat een vrijheidsontnemende maatregel in retrospectief als onrechtmatig kan gelden indien blijkt dat de vreemdeling feitelijk als asielzoeker had moeten worden beschouwd. Uit de uitspraak van 22 november 2024 blijkt dat de minister ten onrechte het asielverzoek als kennelijk ongegrond had afgewezen.
  2. De rechtbank stelt vast dat op 29 september 2024 (tijdens de zienswijzeprocedure) reeds expliciet was gewezen op relevante landeninformatie over Marokko, waaruit volgde dat eiser geen bescherming kon verkrijgen van de Marokkaanse autoriteiten zonder zichzelf bloot te stellen aan strafrechtelijke vervolging. Dit had de minister aanleiding moeten geven om de asielaanvraag niet als kennelijk ongegrond af te doen.
  3. Omdat de minister ten onrechte uitging van een kennelijk ongegronde asielaanvraag, had eiser feitelijk nog steeds als asielzoeker te gelden. De minister had hem daarom op 9 oktober 2024 niet in bewaring mogen plaatsen op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, juncto zesde lid, Vw 2000.
  4. De rechtbank oordeelt dat de onherroepelijke uitspraak van 25 november 2024 niet in de weg staat aan een nieuwe beoordeling, omdat uit interne rechtbankstukken blijkt dat het vooronderzoek in die zaak al op 15 november 2024 was gesloten. Dit betekent dat de voortduring van de bewaring vanaf 15 november 2024 als onrechtmatig moet worden beschouwd.
  5. De rechtbank wijst het verzoek tot herziening van eerdere uitspraken af, omdat de uitspraak van 22 november 2024 niet kan gelden als een feit of omstandigheid die zich heeft voorgedaan vóór de uitspraken van 25 november en 28 oktober 2024. Dit staat echter niet in de weg aan het toekennen van schadevergoeding.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep gegrond.
  • Gevolgen: De rechtbank oordeelt dat de bewaring vanaf 9 oktober 2024 als onrechtmatig geldt en kent schadevergoeding toe.
  • Schadevergoeding: €4.700 (47 dagen bewaring à €100 per dag).
  • Proceskosten: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €1.750 aan proceskostenvergoeding.

Noten

Geef een reactie

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder