Insluitingstijden JCS, scheiding mannen en vrouwen: deels gegrond

Grensdetentie – Onrechtmatige tenuitvoerlegging – ECLI:NL:RBDHA:2025:986

Rb. Den Haag | 17-01-2025 | NL24.51904 | Grensdetentie – Onrechtmatige tenuitvoerlegging – JCS – Scheiding mannen en vrouwen | Beroep gegrond

Feiten en Procesverloop

Eiseres is op 17 november 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De maatregel duurt nog voort.

De gemachtigde van eiseres heeft op 30 december 2024 en 9 januari 2025 de (aanvullende) gronden van het beroep ingediend. De rechtbank heeft op 9 januari 2025 aanvullende vragen gesteld aan de minister, die hierop op 15 januari 2025 heeft gereageerd.

Eiseres stelt dat de tenuitvoerlegging van haar bewaring in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) onrechtmatig is, omdat:

  1. De insluitingstijden voor vreemdelingen fors zijn toegenomen, waardoor JCS niet langer kan worden aangemerkt als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn.
  2. Vrouwelijke vreemdelingen niet volledig gescheiden worden gehuisvest van mannelijke vreemdelingen, wat in strijd is met artikel 11, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 gesloten.

Overwegingen Rechtbank

  1. Verlengde insluitingstijden in het JCS
    • Eiseres verwijst naar eerdere uitspraken van deze rechtbank van 17 december 2024, waarin is geoordeeld dat het JCS niet langer kan worden beschouwd als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie vanwege de sterk toegenomen insluitingstijden.
    • De minister heeft in een voortgangsrapportage van 7 januari 2025 medegedeeld dat het avondprogramma in drie van de vier afdelingen (C2a, C2b en C2c) per 2 januari 2025 is hervat. Eiseres verblijft op afdeling C2c.
    • De rechtbank oordeelt dat hierdoor per 2 januari 2025 geen sprake meer is van een onrechtmatige tenuitvoerlegging op grond van de insluitingstijden.
  2. Scheiding van mannen en vrouwen in het JCS
    • Eiseres voert aan dat het JCS in strijd handelt met artikel 11, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn door vrouwen niet volledig gescheiden van mannen te huisvesten.
    • De minister stelt dat vrouwen en mannen altijd gescheiden verblijven in hun kamers, maar in gemeenschappelijke ruimtes (recreatie, eetruimtes, luchtplaatsen) gemengd samenkomen. De minister beroept zich op de tweede alinea van artikel 11, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn, waarin staat dat gemengd gebruik van gemeenschappelijke ruimtes is toegestaan.
    • De rechtbank volgt de minister en oordeelt dat de huisvesting in het JCS voldoet aan de eisen van de Opvangrichtlijn.
  3. Onrechtmatige periode en schadevergoeding
    • De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor zover het de periode van 9 december 2024 tot 2 januari 2025 betreft, omdat de insluitingstijden toen onrechtmatig waren.
    • Voor deze periode wordt eiseres een schadevergoeding toegekend.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep gedeeltelijk gegrond.
  • Gevolgen: De rechtbank bevestigt dat de tenuitvoerlegging in het JCS tussen 9 december 2024 en 2 januari 2025 onrechtmatig was, maar oordeelt dat de huidige omstandigheden wel rechtmatig zijn.
  • Schadevergoeding: €750 voor de periode van onrechtmatige tenuitvoerlegging.
  • Proceskosten: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €1.814 aan proceskostenvergoeding.

Noten

Geef een reactie

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder