Uitzetting Iran voorlopig onmogelijk, grensdetentie onterecht

Geen paspoort Iran, removal order India niet uitvoerbaar: grensdetentie onrechtmatig

Rb. Den Haag | zp Amsterdam | 03-02-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:4792 | NL26.2871 | Vreemdelingenrecht (art. 6 lid 3 Vw 2000) | Beroep gegrond

Feiten en procesverloop

Eiser (Iraanse nationaliteit) arriveerde aan de grens met een vals bevonden Grieks paspoort. Op 10 januari 2026 werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6 lid 3 Vw (grensdetentie) ter vaststelling van de identiteit en ter voorbereiding van de asielprocedure. Eiser stelde dat gedwongen verwijdering feitelijk onmogelijk was en dat de detentie daarmee elk gerechtvaardigd doel had verloren.

Eiser voerde aan: (1) gedwongen terugkeer naar Iran is zonder geldig paspoort onmogelijk; (2) een removal order naar India is eveneens niet uitvoerbaar; (3) de veiligheidssituatie in Iran is dermate onzeker dat de asielprocedure niet binnen de wettelijke termijn van 13 weken zorgvuldig kan worden afgerond.

Overwegingen rechtbank

  • Verwijdering naar Iran onmogelijk: Dezelfde rechtbank en zittingsplaats oordeelde eerder (12 februari 2025) al dat gedwongen terugkeer naar Iran zonder geldig paspoort niet mogelijk is; eiser heeft geen geldig paspoort.
  • Removal order India niet uitvoerbaar: Voor de motivering werd verwezen naar diezelfde uitspraak van 12 februari 2025.
  • Veiligheidssituatie Iran en termijn asielprocedure: De veiligheidssituatie in Iran is sterk ongewis; andere zittingsplaatsen houden Iraanse zaken aan of vragen nadere informatie op. Verweerder had bij het voornemen van 22 januari 2026 kunnen en moeten vaststellen dat verdere detentie niet langer gerechtvaardigd was, nu de asielprocedure aantoonbaar niet binnen 13 weken zorgvuldig kon worden afgerond. Onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2025:2925 was de grensdetentie met ingang van 22/23 januari 2026 niet langer rechtmatig.

Conclusie en gevolgen

  • Uitspraak: Beroep gegrond; maatregel opgeheven met ingang van 27 januari 2026; onrechtmatig vanaf 23 januari 2026.
  • Schadevergoeding: EUR 600,– (5 dagen DTC × EUR 120).
  • Proceskosten: EUR 1.868,–.
  • Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten

  • ECLI:NL:RVS:2025:2925 — ABRvS 2025: het zicht op uitzetting kan ontbreken indien de asielprocedure aantoonbaar niet binnen de wettelijke termijn van 13 weken op zorgvuldige wijze kan worden afgerond, waardoor bewaring geen gerechtvaardigd doel meer dient.

Geef een reactie

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder