Rb. Den Haag | Zittingsplaats Rotterdam | 23-04-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:9809 | NL26.20170 | Vreemdelingenrecht (bestuursrecht) | Beroep gegrond

Feiten en Procesverloop

Ongedocumenteerde Algerijn. Bij besluit van 9 april 2026 legde de minister bewaring op (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw). Beroep, mede verzoek om schadevergoeding; zitting 22 april 2026. Voorgeschiedenis: op 3 maart 2026 verklaarde de rechtbank (zp Groningen) het asielberoep ongegrond; hoger beroep en een verzoek om voorlopige voorziening lopen.

Laissez-passer aangevraagd 28 oktober 2025; het nationaliteitsonderzoek is op 11 april 2026 gestaakt omdat de Algerijnse autoriteiten de nationaliteit niet konden bevestigen. Eiser stelt: overhaaste, onzorgvuldig voorbereide en onvoldoende gemotiveerde maatregel; geen zicht op uitzetting; onvoldoende voortvarendheid (andere uitzettings- of overdrachtsmogelijkheden niet onderzocht). De minister wacht blijkens de zitting op documenten van eiser.

Overwegingen Rechtbank

  • Zware gronden (art. 5.1b lid 3 Vb): 3a (niet op voorgeschreven wijze binnengekomen), 3c (vertrekplicht niet nagekomen), 3d (onvoldoende meewerking identiteit/nationaliteit), 3i (geen gevolg aan terugkeerplicht). Lichte gronden (lid 4): 4a (andere verplichtingen hoofdstuk 4 Vb niet nagekomen), 4c, 4d. Eiser betwistte de gronden niet; 3a, 3c en 4a doorstaan de ambtshalve toetsing en dragen de maatregel; onttrekkingsrisico (r.o. 1-2).
  • Voorbereiding en motivering (r.o. 3-4): na afwijzing van het asielberoep had eiser geen rechtmatig verblijf (art. 8 onder h Vw) en was hij verwijderbaar; de minister hoefde niet te wachten op de Algerijnse reactie (termijn onbekend); het uitgaan van Algerije komt voor rekening van eiser. Grond slaagt niet.
  • Zicht op uitzetting en voortvarendheid (r.o. 5-6): zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen is niet in geschil, maar niet gebleken dat voor eiser een lp wordt afgegeven. De minister moet maandelijks uitzettingshandelingen verrichten; behalve het vertrekgesprek van 20 april 2026 heeft hij geen concrete handelingen ondernomen of kenbaar gemaakt; wachten op een onduidelijke overlegging van documenten volstaat niet; ook de minister moet zich inspannen. Geen redelijk vooruitzicht op uitzetting en onvoldoende voortvarend; de grond slaagt.
  • Er is geen jurisprudentie aangehaald.

Conclusie en Gevolgen

Beroep gegrond; maatregel onrechtmatig per 23 april 2026; opheffing met ingang van die dag (r.o. 7). Schadevergoeding (art. 106 Vw) afgewezen, omdat de tenuitvoerlegging tot de opheffing rechtmatig was (geen dagen/tarief; r.o. 8). Proceskosten EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, factor 1). Rechtsmiddel: hoger beroep bij de ABRvS binnen één week na bekendmaking.

Trending

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder