Eiser beroept zich op verblijf bij kinderen, maar de horend ambtenaar denkt dat dit een asielmotief is, laat een asielaanvraag ondertekenen en legt een 59b-bewaring op. Na 9 dagen wordt het alsnog omgezet in 59-1a met negatieve Chavez-afweging. Beroep 1 gegrond, beroep 2 ongegrond
Maatregel 1
Rb. Den Haag | Zwolle | 02-06-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:14687 | NL26.28383 | Vreemdelingenbewaring (art. 59b lid 1 aanhef en onder b en d Vw) | Beroep gegrond
Feiten en overwegingen
Eiser stelt de Zimbabwaanse nationaliteit te hebben en in 1981 geboren te zijn (r.o. 1). De minister legde op 14 mei 2026 een maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b en d, op. Zware gronden 3b, 3c en 3i, lichte gronden 4d en 4e; 3i en 4e vielen ter zitting af. De maatregel stelde ook dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 8, derde lid, onder e, Opvangrichtlijn (r.o. 2). Op 23 mei 2026 hief de minister de maatregel op en zette hij die om in een nieuwe maatregel. Zitting 28 mei 2026.
- Wat eiser wilde (r.o. 3-4). Eiser wilde een aanvraag op grond van Chavez-Vilchez doen voor verblijf bij zijn kinderen. Volgens hem kreeg hij te horen dat dat alleen via een asielaanvraag kon, en tekende hij daarom een asielformulier. De minister wijst op die handtekening.
- Gehoorverslag (r.o. 5). Daarin staat: “Betrokkene geeft aan dat hij nu meteen asiel op basis van Chavez wil aanvragen”, met de aantekening dat een eventuele bewaring “een asielbewaring” zal zijn. Op de vraag of hij vreest voor vervolging of onmenselijke behandeling antwoordde eiser: “Nee hoor.”
- Hoormedewerker had moeten doorvragen (r.o. 5). Niet blijkt dat is uitgelegd dat een asielaanvraag en een reguliere Chavez-aanvraag verschillende dingen zijn. Het was in de eerste plaats de taak van de hoormedewerker om duidelijk te krijgen welke aanvraag eiser wilde doen, temeer omdat er geen advocaat bij het gehoor was. Uit de overige verklaringen had duidelijk moeten zijn dat eiser niets te vrezen heeft en alleen bij zijn kinderen wil blijven. Eiser is ten onrechte als asielzoeker aangemerkt; artikel 59b kon geen grondslag zijn.
- Uitkomst (r.o. 6-8). Onrechtmatig vanaf de oplegging. Schadevergoeding EUR 1.240 (1 dag politiecel x EUR 160 en 9 dagen detentiecentrum x EUR 120). Proceskosten EUR 1.868 (2 punten x EUR 934). Hoger beroep binnen één week.
Maatregel 2
Rb. Den Haag | Zwolle | 11-06-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:15709 | NL26.29655 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw) | Beroep ongegrond
Feiten en overwegingen
Dezelfde eiser. De minister legde op 23 mei 2026 een nieuwe maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, op. Zware gronden 3b, 3c en 3i, lichte gronden 4d en 4e; 4e werd ter zitting ingetrokken (r.o. 4-5). Zitting 4 juni 2026.
- Geen doorwerking (r.o. 3). De verkeerde grondslag en de te late grondslagwijziging zijn gebreken van de eerdere maatregel. Volgens vaste rechtspraak (RVS 2024:1206; RVS 2025:5943) werken die in beginsel niet door, behalve bij een ernstige schending van een fundamenteel recht of een opeenstapeling van ernstige gebreken. Eiser kon de gebreken in de eerdere procedure aanvoeren en kreeg daarvoor schadevergoeding (uitspraak van 2 juni 2026, NL26.28383). Er is geen opeenstapeling. Er is ook geen aanwijzing dat de minister de fout willens en wetens maakte: hij had eiser destijds ook op artikel 59 lid 1 onder a in bewaring kunnen stellen, ook als eiser een Chavez-aanvraag had ingediend.
- Lichter middel (r.o. 6-7). Eiser verloor zijn diplomatieke status in juni 2024 en verbleef sindsdien zonder melding illegaal in Nederland. Hij wil alleen op zijn voorwaarden en op een door hem te bepalen moment terug. Een lichter middel is niet geïndiceerd; de wens om het contact met de kinderen te herstellen maakt dat niet anders.
- Adrar en het belang van de kinderen (r.o. 8-9). Eiser heeft zijn kinderen al drie jaar niet gezien en heeft ook geen ander contact met hen. De bewaring verandert daar niets aan. Niet gebleken is dat de kinderen contact willen of dat contact niet vanuit bewaring of Zimbabwe kan worden hersteld. De belangen zijn voldoende meegewogen.
- Uitkomst (r.o. 10-12). Ambtshalve geen onrechtmatigheid (HvJ 8 november 2022; HvJ Aroja). Beroep ongegrond, schadevergoeding afgewezen, geen proceskosten. Hoger beroep binnen één week.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14687, ECLI:NL:RBDHA:2026:15709: deze uitspraken
- ECLI:NL:RVS:2024:1206 en ECLI:NL:RVS:2025:5943: onrechtmatigheid van een eerdere maatregel werkt in beginsel niet door
- HvJ 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354
- HvJ 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647
- HvJ 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858: ambtshalve toetsing
- HvJ 5 maart 2026, Aroja, ECLI:EU:C:2026:148
- Art. 59 Vw 2000, art. 59b Vw 2000, art. 5.1b Vb 2000, art. 8 lid 3 onder e Opvangrichtlijn




