Rb. Den Haag | Middelburg | 11-05-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:11449 | NL26.24804 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw), vervolgberoep na opheffing | Beroep gegrond
Feiten en procesverloop
Eiser stelt in 2000 geboren te zijn en de Algerijnse nationaliteit te hebben (r.o. 1). De maatregel dateert van 15 december 2025. Eerdere toetsingen: RBDHA 2026:354 (12 januari 2026) en RBDHA 2026:5679 (17 maart 2026); getoetst wordt de periode vanaf de sluiting van het onderzoek op 16 maart 2026 (r.o. 3). De minister hief de bewaring op 7 mei 2026 op, op de dag van zijn verweerschrift. Geen zitting; onderzoek gesloten op 8 mei 2026. Alleen schadevergoeding is nog aan de orde (r.o. 2). Eiser stelt dat opheffing uiterlijk op 30 april 2026 had gemoeten (r.o. 4).
Overwegingen rechtbank
- Kader (r.o. 5). Eiser moet actief en volledig meewerken. Zicht op uitzetting vereist zicht ten aanzien van het land en ten aanzien van deze vreemdeling; bij een niet-meewerkende vreemdeling gaat het om de vraag of er zicht is als hij alsnog meewerkt. De minister mag niet op medewerking wachten maar moet zelf uitzettingshandelingen blijven verrichten.
- Na afwijzing van de LP-aanvraag (r.o. 6). De Algerijnse autoriteiten wezen de LP-aanvraag op 18 april 2026 af. Het vertrekgesprek was gepland op 23 april 2026, maar is “per abuis met een ander persoon dan eiser” gevoerd. Het gesprek met eiser volgde pas op 29 april 2026, elf dagen na de afwijzing. De rechtbank ziet niet in waarom op 23 april 2026 niet alsnog met eiser is gesproken.
- AVIM te laat ingeschakeld (r.o. 6). Eiser zou al op 16 juni 2019 hebben verklaard de Marokkaanse nationaliteit te hebben. De minister legt niet uit waarom de AVIM pas op 29 april 2026 is gevraagd om aanvullend identiteitsonderzoek.
- Oordeel (r.o. 6-7). Na een LP-afwijzing krijgt de minister enige beraadtijd, zeker als de vreemdeling niet meewerkt. Maar hier had uiterlijk op 23 april 2026 het vertrekgesprek moeten plaatsvinden en het AVIM-verzoek moeten uitgaan. Vanaf 23 april 2026 is de bewaring onrechtmatig wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en onvoldoende voortvarendheid.
Conclusie en gevolgen
- Uitspraak: beroep gegrond; maatregel onrechtmatig met ingang van 23 april 2026 (r.o. 7).
- Schadevergoeding: EUR 2.400 (15 dagen x EUR 160 “verblijf politiecel” en 0 dagen x EUR 120 detentiecentrum) (r.o. 8).
- Proceskosten: EUR 934 (1 punt x EUR 934, wegingsfactor 1) (r.o. 9).
- Rechtsmiddel: volgens de uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11449: deze uitspraak
- ECLI:NL:RBDHA:2026:354 en ECLI:NL:RBDHA:2026:5679: eerdere toetsingen van dezelfde maatregel
- Art. 59 Vw 2000, art. 106 Vw 2000




