Rb. Den Haag | RECHTBANK DEN HAAG / Zittingsplaats Rotterdam | 29-04-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:12216 | NL26.22060 | Vreemdelingenrecht (bestuursrecht) | Beroep gegrond

Feiten en Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2026 legde de minister bewaring op (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw). Beroep, mede verzoek om schadevergoeding; zitting 29 april 2026.

Eiser stelt dat de maatregel geen motivering bevat dat is beoordeeld of non-refoulement zich tegen uitzetting verzet. In het gehoor verklaarde hij geen problemen met de Algerijnse overheid of anderen te hebben en antwoordde hij ‘Nee’ op de vraag of hij vrees heeft voor vervolging en/of onmenselijke of vernederende behandeling; die verklaring staat niet in de maatregel.

Overwegingen Rechtbank

  • Gronden (r.o. 1): niet bestreden; kunnen de ambtshalve toetsing doorstaan en dragen samen de maatregel (significant onttrekkingsrisico). Welke zware (art. 5.1b lid 3 Vb) en lichte gronden (lid 4) zijn gehanteerd, wordt niet vermeld.
  • HvJ-EU 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647 (aangehaald door eiser, r.o. 2): verweerder moet in de maatregel motiveren dat een non-refoulementbeoordeling is gemaakt (rechtsregel zoals door eiser gesteld; de rechtbank bespreekt het arrest zelf niet).
  • ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, r.o. 7.3 (r.o. 4 en voetnoten): de minister moet in het gehoor actief concrete vragen stellen om te onderzoeken of non-refoulement zich tegen uitzetting verzet; pas aan het beginsel is voldaan als het resultaat van dat onderzoek en de zorgvuldige voorbereiding blijkt uit de motivering van de bewaring.
  • Toepassing (r.o. 4): de maatregel bevat geen enkele overweging die impliceert dat is beoordeeld of non-refoulement zich verzet; het stellen van de vragen in het gehoor zonder daarnaar in het besluit te verwijzen is onvoldoende; onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Overige gronden onbesproken (r.o. 5).

Conclusie en Gevolgen

Beroep gegrond; bewaring onrechtmatig vanaf het moment van opleggen (r.o. 6); Schadevergoeding (art. 106 Vw): 27 dagen: 0 x EUR 160 (politiecel) + 27 x EUR 120 (detentiecentrum) = EUR 3.240. Proceskosten EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, factor 1). Rechtsmiddel: hoger beroep bij de ABRvS binnen één week na bekendmaking.

Noten

ECLI:EU:C:2025:647; ECLI:NL:RVS:2026:329; Vw 2000; Vb 2000

Trending

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder