Rb. Den Haag | Zittingsplaats Rotterdam | 15-04-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:11646 | NL26.18969 | Vreemdelingenrecht (bestuursrecht) | Beroep gegrond

Feiten en Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2026 legde de minister bewaring op (art. 59a lid 1 Vw). Beroep, mede verzoek om schadevergoeding; zitting 15 april 2026. Eiser stelt dat het binnentreden onrechtmatig was omdat de elektronische handtekening op de machtiging tot binnentreden niet te verifiëren is. De minister erkende ter zitting dat de handtekening in het dossierstuk niet verifieerbaar was; na de zitting diende hij een digitaal bestand met verifieerbare handtekening in en stelt dat de machtiging rechtsgeldig is. Op 13 april 2026 is aan eiser een voorlopige voorziening (art. 64 Vw) toegewezen: niet uitzetten totdat op het bezwaar is beslist (ECLI:NL:RBNHO:2026:3986).

Overwegingen Rechtbank

  • Gronden (r.o. 1): niet bestreden; doorstaan de ambtshalve toetsing en dragen samen de maatregel (significant onttrekkingsrisico). Welke zware (art. 5.1b lid 3 Vb) en lichte gronden (lid 4) zijn gehanteerd en de feitelijke onderbouwing: niet besproken.
  • Voortraject (r.o. 4-5): het nadien ingediende bestand heeft een andere datum (10 maart 2026) en een andere ondertekenaar dan de machtiging in het dossier en heeft kennelijk geen betrekking op de machtiging voor het binnentreden. Of de handtekening geldig en de machtiging rechtsgeldig is, kan niet worden vastgesteld; art. 6 Awbi vereist ondertekening. Dit is een gebrek in het voortraject.
  • Rechtsregel (ECLI:NL:RVS:2004:AS4591): volgens vaste jurisprudentie maakt een gebrek in het voortraject de bewaring slechts onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.
  • Belangenafweging (r.o. 6): gelet op de aard van de maatregel en het gebrek, de geboden herstelkans, het mogelijk onrechtmatige binnentreden en het ontbreken van zwaarwegende belangen van de minister staan de belangen niet in redelijke verhouding; ook de toegewezen voorlopige voorziening is betrokken. Overige gronden onbesproken (r.o. 7).

Conclusie en Gevolgen

Beroep gegrond; bewaring onrechtmatig vanaf het moment van opleggen; opheffing met ingang van 15 april 2026 (r.o. 8-9). Schadevergoeding (art. 106 Vw): 15 dagen x EUR 120 (detentiecentrum) = EUR 1.800. Proceskosten EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, factor 1). Rechtsmiddel: hoger beroep bij de ABRvS binnen één week na bekendmaking.

Noten

ECLI:NL:RVS:2004:AS4591; ECLI:NL:RBNHO:2026:3986; Vw 2000; Awbi (art. 6); Vb 2000

Trending

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder