Raad van State, appèl van Rb. Den Haag, zp Groningen) | 30-04-2026 | ECLI:NL:RVS:2026:2392 | BRS.24.000359 (eerste aanleg NL24.37604) | Vreemdelingenrecht (hoger beroep) | Hoger beroep gegrond; beroep alsnog ongegrond
Feiten en Procesverloop
Besluit van 30 augustus 2024: bewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw), gelijktijdig met een terugkeerbesluit. Rb. Den Haag, zp Groningen, 8 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16331, NL24.37604): beroep gegrond, opheffing bevolen, schadevergoeding toegekend (bedrag niet vermeld). De minister ging in hoger beroep; de Afdeling vroeg om nadere schriftelijke inlichtingen. Minister: de rechtbank trad buiten de grenzen van het geding. Betrokkene: onzorgvuldige voorbereiding, onvoldoende voortvarendheid, onzorgvuldig terugkeerbesluit.
Overwegingen Afdeling
- r.o. 1: ABRvS 12 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4578, onder 3.1: de rechter treedt buiten de grenzen van het geding als hij de rechtmatigheid toetst van een ander besluit dan waartegen beroep is ingesteld. De bewaringsrechter mag zich dus niet uitlaten over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit (hier de toepassing van art. 24 lid 4 Dublinverordening); hij moet wel controleren of vooraf of gelijktijdig een terugkeerbesluit is genomen en of dit aan de specifieke vereisten voldoet. Door te oordelen dat de minister geen terugkeerbesluit had mogen nemen is de rechtbank buiten haar bevoegdheid getreden.
- r.o. 3: het gehoor voorafgaand aan de bewaring is een voorbereidende handeling waarvoor nog geen terugkeerbesluit vereist is; de bewaring mag wel alleen worden opgelegd als vooraf of gelijktijdig een terugkeerbesluit is genomen (ABRvS 21 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9280, onder 2.1.4); hier gelijktijdig; de grond faalt.
- r.o. 4: voortvarendheid: eerste vertrekgesprek 4 september 2024, lp-aanvraag dezelfde dag voorbereid, verzonden naar de Algerijnse ambassade op 12 september, gerappelleerd op 2 oktober, tweede vertrekgesprek 3 oktober 2024; voldoende voortvarend.
- r.o. 5: de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit is door de bewaringsrechter niet te toetsen; daarvoor stond een afzonderlijke rechtsgang open die niet is benut; het terugkeerbesluit staat in rechte vast.
- r.o. 6: geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (HvJ-EU 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31); ambtshalve geen onrechtmatigheid.
- Zware (art. 5.1b lid 3 Vb) en lichte gronden (lid 4): niet besproken.
Conclusie en Gevolgen
Hoger beroep gegrond; uitspraak vernietigd; beroep ongegrond; schadeverzoek (art. 106 Vw) afgewezen; geen proceskostenvergoeding. Rechtsmiddel: niet vermeld.
Noten
ECLI:NL:RBDHA:2024:16331; ECLI:NL:RVS:2023:4578; ECLI:NL:RVS:2011:BP9280; ECLI:EU:C:2026:243; Vw 2000




