Rb. Den Haag / Zittingsplaats Rotterdam | 02-04-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:11511 | NL26.15779 | Vreemdelingenrecht (bestuursrecht) | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 20 maart 2026 legde de minister bewaring op (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw). Verweerder nam de nationaliteit van Bangladesh aan; eiser stelt van Indiase afkomst te zijn.
Eiser stelt dat het gehoor uitsluitend vragen over terugkeer naar India bevatte, terwijl het terugkeerbesluit Bangladesh noemt en volgens de aanbiedingsbrief van 31 maart 2026 een laissez-passer-traject voor Bangladesh loopt; hij verwijst naar ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329. Verweerder stelde ter zitting dat het refoulementrisico in de eerdere asielprocedure is getoetst.
Overwegingen Rechtbank
- De afweging over non-refoulement in de maatregel ziet enkel op India, terwijl Bangladesh het land is waarnaar eiser moet terugkeren; noch in de maatregel noch in het gehoor staat een kenbare overweging over non-refoulement bij terugkeer naar Bangladesh.
- Het verweer dat het risico in de asielprocedure is getoetst wordt niet gevolgd. ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329: verweerder en rechtbank zijn verplicht bij oplegging en voortduring van bewaring te toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet; die toetsing moet kenbaar in de maatregel zijn opgenomen, ook als het risico eerder in een asielprocedure is beoordeeld.
- Zware gronden (art. 5.1b lid 3 Vb) en lichte gronden (lid 4): niet besproken; geen vermelding of zij zijn betwist. Beroep reeds hierom gegrond.
Conclusie en Gevolgen
Beroep gegrond; bewaring onrechtmatig vanaf oplegging; opheffing bevolen met ingang van 2 april 2026. Schadevergoeding (art. 106 Vw): 14 dagen x EUR 120 (detentiecentrum) = EUR 1.680 (rechtbanktarief wijkt af van prompt, EUR 100). Proceskosten EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, factor 1). Rechtsmiddel: hoger beroep bij de ABRvS binnen één week na de dag van bekendmaking.





