Rb. Den Haag | Zittingsplaats Rotterdam | 02-04-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:11517 | NL26.16589 | Vreemdelingenrecht (bestuursrecht) | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 24 maart 2026 legde verweerder bewaring op (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw). Nationaliteit en geboortejaar niet vermeld. Beroep tevens verzoek om schadevergoeding; zitting 1 april 2026.
Eiser stelt dat hij voldoet aan art. 59 lid 3 Vw: hij is bereid mee te werken aan vertrek, heeft een geldig paspoort en met hulp van de IOM is een vlucht geboekt voor 8 april 2026; de bepaling is dwingend en laat geen belangenafweging toe. Verweerder stelt dat de vertrekwens gelet op het onttrekkingsrisico ongeloofwaardig is.
Overwegingen Rechtbank
- Art. 59 lid 3 Vw: bewaring blijft achterwege en wordt beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en daartoe gelegenheid bestaat. Nu eiser een geldig paspoort heeft en niet is betwist dat een vlucht staat gepland op 8 april 2026, heeft hij zijn vertrekwens voldoende geconcretiseerd; de rechtbank verwijst naar ABRvS 2 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2045 en ABRvS 14 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7395 (rechtsregel niet nader toegelicht in de uitspraak).
- Het betoog dat de vertrekwens ongeloofwaardig is gelet op het onttrekkingsrisico wordt niet gevolgd: eiser verborg nooit de locatie van zijn paspoort en gaf niet aan niet uit eigen beweging te zullen vertrekken; uit het verslag van het vertrekgesprek van 26 maart 2026 blijkt zijn vertrekwens en contact met de IOM; op 30 maart 2026 nam hij daadwerkelijk contact op met de IOM.
- Vanaf het moment dat eiser zelfstandig kon vertrekken had verweerder de bewaring moeten opheffen. Overige gronden onbesproken (dus ook zware en lichte gronden art. 5.1b lid 3 en 4 Vb).
Conclusie en Gevolgen
Beroep gegrond; bewaring onrechtmatig met ingang van 30 maart 2026; opheffing met ingang van 2 april 2026. Schadevergoeding (art. 106 Vw): 4 dagen x EUR 120 (detentiecentrum) = EUR 480 (tarief wijkt af van prompt, EUR 100). Proceskosten EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, factor 1). Rechtsmiddel: hoger beroep bij de ABRvS binnen één week na de dag van bekendmaking.
Noten
ECLI:NL:RVS:2021:2045; ECLI:NL:RVS:2012:BY7395; Vw 2000 art. 59 lid 3





