ABRvS | n.v.t. (hoger beroep tegen mondelinge uitspraak Rb. Den Haag, zp Amsterdam, 17-3-2026, NL26.12756) | 04-05-2026 | ECLI:NL:RVS:2026:2499 | BRS.26.001710 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw) | Hoger beroep minister gegrond, beroep alsnog ongegrond

Feiten en procesverloop

Betrokkene heeft de Poolse nationaliteit en heeft geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. De minister stelde hem op 5 maart 2026 in bewaring om hem uit te zetten naar Polen, ter uitvoering van een verwijderingsbesluit in de zin van artikel 15, eerste lid, Verblijfsrichtlijn (r.o. 1, 1.1). De rechtbank verklaarde het beroep bij mondelinge uitspraak van 17 maart 2026 gegrond, omdat de maatregel geen refoulementbeoordeling bevatte, en kende schadevergoeding toe. De minister kwam daartegen op met één grief (r.o. 1).

Overwegingen Afdeling

  • Handvest van toepassing, maar geen toetsplicht (r.o. 1.1). De Verblijfsrichtlijn schrijft geen refoulementbeoordeling voor. Artikel 4 EU Handvest is wel van toepassing, omdat bij de uitvoering van een verwijderingsbesluit Unierecht ten uitvoer wordt gebracht (art. 51 lid 1 Handvest). Dat betekent nog niet dat de minister een refoulementbeoordeling moet maken.
  • Protocol 24 naar analogie (r.o. 1.2-1.3). Volgens Protocol (nr. 24) bij het VWEU beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong. Daaruit leidt de Afdeling af dat in een maatregel gericht op uitzetting van een Unieburger naar een andere lidstaat geen refoulementbeoordeling nodig is, tenzij een uitzondering uit dat protocol zich voordoet. Dat is hier niet zo.
  • Geen prejudiciële vragen (r.o. 1.4). Het antwoord laat redelijkerwijs geen twijfel (Cilfit, punt 16; Consorzio Italian Management, punten 39 en 40; Remling, punt 37).
  • Zware gronden 3b en 3c (r.o. 3-3.2). Voor deze gronden volstaat een toelichting op de feitelijke juistheid (RVS 2020:829, r.o. 15-15.2.3). Betrokkene meldde zich niet bij de korpschef; dat hij dacht rechtmatig te verblijven is niet relevant. Hij kreeg op 19 februari 2018 een vertrekplicht van 28 dagen; vertrek naar Polen in 2020 is geen vertrek binnen die termijn. De gronden dragen de maatregel (art. 5.1b, tweede lid, Vb).

Conclusie en gevolgen

  • Uitspraak: hoger beroep gegrond, uitspraak van de rechtbank vernietigd, beroep alsnog ongegrond (r.o. 2, 5).
  • Schadevergoeding: verzoek afgewezen.
  • Proceskosten: de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
  • Rechtsmiddel: geen. Uitspraak met toepassing van art. 8:54, eerste lid, Awb.

Betekenis

Bij bewaring van een Unieburger die naar zijn eigen lidstaat wordt uitgezet, hoeft de maatregel geen refoulementbeoordeling te bevatten. Alleen als een uitzondering uit Protocol 24 aan de orde is, ligt dat anders; de Afdeling werkt niet uit wanneer dat het geval is. Ook bevestigt de uitspraak dat de subjectieve veronderstelling van rechtmatig verblijf niet afdoet aan zware grond 3b.

Noten

Trending

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder