ABRvS | (hoger beroep tegen Rb. Den Haag, zp Amsterdam, 5-3-2026, NL26.9498) | 12-06-2026 | ECLI:NL:RVS:2026:3387 | BRS.26.001164 | Vreemdelingenbewaring (art. 59a Vw) | Hoger beroep minister gegrond, beroep alsnog ongegrond
Feiten en procesverloop
Op 18 februari 2026 legde de minister betrokkene een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw 2000 (Dublinbewaring). Het doel was een overdracht aan Duitsland of Zwitserland (r.o. 1.1). Een claimakkoord was er op dat moment nog niet, en dus ook geen overdrachtsbesluit (r.o. 1.2). Op 5 maart 2026 verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, beval opheffing van de maatregel en kende schadevergoeding toe. De nationaliteit van betrokkene is niet vermeld in de uitspraak.
Met zijn enige grief kwam de minister op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij in zo’n maatregel moet motiveren dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen overdracht verzet (r.o. 1).
Overwegingen Afdeling
- Geen motiveringsplicht op grond van Adrar (r.o. 1.1). Die plicht volgt niet uit RVS 2026:329 en ook niet uit het arrest Adrar. Uitspraak en arrest gaan over bewaring om een terugkeerbesluit uit te voeren (art. 5 Terugkeerrichtlijn), niet over bewaring met het oog op een Dublinoverdracht.
- Concreet aanknopingspunt is de maatstaf (r.o. 1.2). De Afdeling erkent dat ook een overdracht aan een andere lidstaat kan leiden tot een situatie in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. Voor Dublinbewaring is echter een concreet aanknopingspunt voor overdracht vereist (art. 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder a, Vb 2000), niet een overdrachtsbesluit dat al is genomen. Zonder overdrachtsbesluit valt er niets uit te voeren. De beoordeling aan artikel 4 Handvest volgt pas als de minister eventueel een overdrachtsbesluit neemt, en moet dan actueel zijn.
- Conclusie (r.o. 1.3). De rechtbank oordeelde ten onrechte dat de maatregel onrechtmatig was omdat er geen refoulementbeoordeling in stond.
- Uitdrukkelijk opengelaten (r.o. 1.4). De vraag of de minister wél een refoulementbeoordeling moet maken als er al een overdrachtsbesluit ligt, is voor deze zaak niet nodig. Prejudiciële vragen stelt de Afdeling niet, met verwijzing naar Cilfit, Consorzio Italian Management en Remling.
Conclusie en gevolgen
- Uitspraak: het hoger beroep is gegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen onbesproken beroepsgronden zijn en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond (r.o. 2).
- Schadevergoeding: het verzoek is afgewezen.
- Proceskosten: de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- Rechtsmiddel: geen. De uitspraak is gedaan met toepassing van art. 8:54, eerste lid, Awb, dus zonder zitting.
Betekenis
Hiermee is de tegenstelling tussen zittingsplaatsen over refoulement bij Dublinbewaring beslecht voor de situatie zonder overdrachtsbesluit. Het gaat het vaakst mis bij een maatregel die al vóór het claimakkoord is opgelegd. Ligt er wel een overdrachtsbesluit, dan is de vraag nog open (r.o. 1.4).
Noten
- ECLI:NL:RVS:2026:3387: deze uitspraak
- ECLI:NL:RVS:2026:329: Afdeling 12 februari 2026, gevolgen van Adrar bij bewaring om een terugkeerbesluit uit te voeren
- HvJ 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647
- HvJ 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 10 en 16
- HvJ 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 34, 39 en 40
- HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 35 en 37
- Art. 59a Vw 2000, art. 5.1a Vb 2000




