ABRvS | n.v.t. (hoger beroep tegen Rb. Den Haag, zp Roermond, 5-2-2026, NL26.3552) | 05-06-2026 | ECLI:NL:RVS:2026:3190 | BRS.26.000705 | Vreemdelingenbewaring (art. 59b lid 1 aanhef en onder a en b Vw) | Hoger beroep minister gegrond, beroep alsnog ongegrond
Feiten en procesverloop
De minister stelde betrokkene op 19 januari 2026 in bewaring op grond van artikel 59b. Betrokkene had op 15 oktober 2025 asiel aangevraagd, was op 2 november 2025 met onbekende bestemming vertrokken en wilde een opvolgende aanvraag indienen (r.o. 1, 5). De rechtbank verklaarde het beroep op 5 februari 2026 gegrond: de vragen in het gehoor waren niet op de voorwaarden van 59b gericht, er zaten meerdere versies van de maatregel in het dossier en een andere ambtenaar had gehoord dan beslist. Zij beval opheffing en kende schadevergoeding toe. De nationaliteit is niet vermeld in de uitspraak.
Overwegingen Afdeling
- Gehoor wel gericht op 59b (r.o. 1). Uit het proces-verbaal blijkt dat de minister de asielaanvraag onderkende: 59b was aangekruist en er is gevraagd waarom betrokkene een opvolgende aanvraag wil indienen. Vragen over identiteit en reisdocumenten raken onderdeel a; vragen over het terugkeerbesluit en de bereidheid mee te werken raken het onttrekkingsrisico en dus onderdeel b (RVS 2026:1429, r.o. 2.1).
- Meerdere versies van de maatregel (r.o. 2). De minister had in een brief van 2 februari 2026 en ter zitting toegelicht welke versie de juiste is, dat er maar één is uitgereikt en dat die naar de gemachtigde is gestuurd. Daarmee was de verwarring weggenomen.
- Horen en beslissen door verschillende ambtenaren (r.o. 2.1). Daarvoor bestaat geen Unierechtelijke of nationale verplichting. Paragraaf A5/6.4 Vc 2000 vereist alleen dat het gehoor wordt afgenomen door de ambtenaar bedoeld in artikel 5.3 VV 2000; dat was zo. De verklaringen zijn kenbaar in de maatregel betrokken.
- Ophouding (r.o. 4). Betrokkene reisde in met een laissez-passer, maar legde geen identiteitsdocumenten over. De minister mocht ophouden op grond van artikel 50, tweede lid, Vw 2000.
- Zware gronden (r.o. 5). Grond 3b (asielaanvraag, daarna vertrek met onbekende bestemming) en grond 3c (vertrekplicht uit terugkeerbesluit niet nageleefd) zijn feitelijk toegelicht en dragen de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 5.1c, tweede lid, Vb. Grond 3a blijft onbesproken.
Conclusie en gevolgen
- Uitspraak: hoger beroep gegrond, uitspraak vernietigd, beroep alsnog ongegrond (r.o. 3, 6).
- Schadevergoeding: verzoek afgewezen.
- Proceskosten: de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- Rechtsmiddel: geen. Uitspraak met toepassing van art. 8:54, eerste lid, Awb.
Betekenis
De Afdeling bevestigt RVS 2026:1429: het gehoor vóór 59b-bewaring moet inhoudelijk raken aan de voorwaarden van de gekozen onderdelen, maar die hoeven niet letterlijk te worden benoemd. Verwarring over versies van de maatregel kan de minister herstellen door tijdig uit te leggen welke versie is uitgereikt. Dat horen en beslissen bij verschillende ambtenaren ligt, is geen gebrek.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2026:3190: deze uitspraak
- ECLI:NL:RVS:2026:1429: vragen in het gehoor relevant voor 59b, onderdelen a en b (r.o. 2.1)
- HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31
- Art. 50 Vw 2000, art. 59b Vw 2000, art. 5.1c Vb 2000, paragraaf A5/6.4 Vc 2000, art. 5.3 VV 2000





