ABRvS | n.v.t. (hoger beroep tegen Rb. Den Haag, zp Amsterdam, 18-11-2025, NL25.54318) | 11-05-2026 | ECLI:NL:RVS:2026:2544 | BRS.25.002106 | Vreemdelingenbewaring (art. 59a Vw) | Hoger beroep vreemdeling gegrond, beroep alsnog gegrond
Feiten en procesverloop
Appellant vroeg op 2 januari 2023 asiel aan in Nederland en op 13 maart 2024 in Zwitserland. Een terugnameverzoek van Zwitserland van 10 april 2024 wees de minister af, omdat appellant in Nederland als minderjarige stond geregistreerd. De minister wees de Nederlandse asielaanvraag af op 11 juni 2025. Op 6 oktober 2025 vroeg appellant asiel aan in Duitsland (r.o. 1). Na aanhouding op 25 oktober 2025 volgde bewaring op grond van artikel 59; op 30 oktober 2025 ging een terugnameverzoek naar Zwitserland en op 31 oktober 2025 werd de maatregel omgezet in een maatregel op grond van artikel 59a (r.o. 1.1). De rechtbank zag in de Eurodac-treffer en het claimverzoek een concreet aanknopingspunt (r.o. 2).
Overwegingen Afdeling
- Verantwoordelijkheid bleef bij Nederland (r.o. 2.1-2.2). Door de afwijzing van 11 juni 2025 bleef Nederland verantwoordelijk (art. 18, eerste lid, aanhef en onder d, Dublinverordening). De situaties van artikel 19 en 23, derde lid, Dublinverordening doen zich niet voor. Dat appellant inmiddels meerderjarig is en na de afwijzing in een andere lidstaat asiel vroeg, verschuift de verantwoordelijkheid niet naar Zwitserland.
- Voor de minister duidelijk (r.o. 2.3). Op het moment van inbewaringstelling had de minister moeten zien dat overdracht niet mogelijk was. Er was dus geen concreet aanknopingspunt.
- Geen prejudiciële vragen (r.o. 2.4). Cilfit, punt 16; Consorzio Italian Management, punten 39 en 40; Remling, punt 37.
Conclusie en gevolgen
- Uitspraak: hoger beroep gegrond, uitspraak vernietigd, beroep alsnog gegrond; de bewaring was vanaf het begin onrechtmatig; de maatregel was al opgeheven (r.o. 3).
- Schadevergoeding: EUR 2.800 over de periode 31 oktober 2025 tot en met 27 november 2025. De uitspraak geeft geen uitsplitsing naar dagen en dagtarief.
- Proceskosten: EUR 2.802 voor beroep en hoger beroep.
- Rechtsmiddel: geen. Uitspraak met toepassing van art. 8:54, eerste lid, Awb.
Betekenis
Beide uitspraken gaan over de onderzoeksplicht die vóór een 59a-maatregel op de minister rust. Een Eurodac-treffer of een eerder claimakkoord is niet genoeg als uit het eigen dossier of het gehoor blijkt dat Nederland verantwoordelijk is gebleven of geworden. Stukken die dat bevestigen moeten ook in de procedure worden ingebracht.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2026:2544, ECLI:NL:RVS:2026:2639
- ECLI:NL:RVS:2021:944: onderzoeksplicht en bewijslast vóór bewaring op grond van artikel 59a (r.o. 4)
- HvJ 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16
- HvJ 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40
- HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24, 31 en 37
- Art. 59a Vw 2000, art. 106 Vw 2000, art. 18 lid 1 onder d, 19, 23 lid 3 en 28 Dublinverordening (Vo. 604/2013)





