In mei 2026 oordeelde de zittingsplaats Arnhem over de optelling van de bewaringstermijnen en wanneer dan welke optelling moest plaatsvinden. De rechtbank Arnhem telt op twee manieren: twee klokken.

Klok 1 is het verlengingsbesluit (artikel 59, zesde lid, Vw en artikel 15, vijfde en zesde lid, Terugkeerrichtlijn). Daarvoor telt alleen bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit.

Bewaring op grond van artikel 59b telt daarvoor niet mee, omdat die berust op artikel 8 Opvangrichtlijn (RBDHA 2026:10675, r.o. 9-11, met steun in Kadzoev, punt 45); punt 58 van Aroja gaat over bewaring die tijdens de asielprocedure op de Terugkeerrichtlijn bleef berusten. Een essentiële wijziging van het terugkeerbesluit zet de teller op nul (RBDHA 2026:10525, r.o. 11-13.1).

Klok 2 is de kenbare belangenafweging na zes maanden (paragraaf A5/6.8 Vc 2000). Die hoort alleen bij een maatregel op grond van artikel 59 (RBDHA 2026:10675, r.o. 6). Is er zo’n maatregel, dan tellen de periodes op grond van artikel 59a en 59b wel mee en moet de afweging in de maatregel zelf staan, niet in een M120 (RBDHA 2026:10528, r.o. 2.2-2.3).

In RBDHA 2026:10528 lopen de klokken zichtbaar uiteen: voor de belangenafweging zat eiser al meer dan zes maanden vast, voor het verlengingsbesluit stond de teller op 113 dagen (r.o. 3.3). Rotterdam schrijft in RBDHA 2026:17559 (r.o. 3) in algemene termen dat “ook perioden van bewaring tijdens de behandeling van een asielaanvraag” meetellen. Het punt was daar niet in geschil, want de minister erkende de overschrijding van achttien maanden (r.o. 4), en de rechtbank werkt niet uit of zij ook 59b-bewaring bedoelt. Waarschijnlijk geeft zij punt 58 van Aroja weer. Een tegenstelling met Arnhem is het daarom niet.

Arnhem: bij nieuw TKB begint termijn opnieuw

Rb. Den Haag | Arnhem (meervoudige kamer) | 04-05-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:10525 | NL26.19156 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw), vervolgberoep | Beroep ongegrond

Feiten en overwegingen

Op 1 april 2026 bevestigden de Marokkaanse autoriteiten de Marokkaanse nationaliteit van eiser (r.o. 3). De maatregel dateert van 25 november 2025 en is eerder getoetst op 15 december 2025, 22 januari 2026 en 10 maart 2026; beoordeeld wordt de periode vanaf 6 maart 2026 (r.o. 2). Eiser zat eerder in bewaring van 8 april tot 9 juni 2022 (59b), van 9 juni tot en met 1 juli 2022 (59 lid 1 onder a, uitzetting naar Libië), en van 19 tot 25 november 2025 (59b) (r.o. 3). De zaak is na heropening naar de meervoudige kamer verwezen en op 28 april 2026 behandeld, samen met NL26.19810.

  • Terugkeerbesluit aangevuld (r.o. 4-6.2). Het terugkeerbesluit van 31 december 2021 noemt alleen Libië. In de beschikking op de asielaanvraag van 14 oktober 2024 staat dat eiser moet terugkeren naar Libië, Marokko of Algerije. Dat is een op rechtsgevolg gerichte, essentiële wijziging en dus een aanvullend terugkeerbesluit, ook al staat dat niet zo in de tekst. De maatregel blijkt daar ook op te steunen.
  • 59b-periodes tellen niet mee (r.o. 9-10.3). Bewaring op grond van artikel 59b berust op artikel 8 Opvangrichtlijn, niet op de Terugkeerrichtlijn, en dient dus niet de uitvoering van een terugkeerbesluit. Aroja, punt 58, ziet op de situatie waarin de bewaring tijdens de asielprocedure op de Terugkeerrichtlijn bleef berusten, zoals in de Finse zaak. Steun daarvoor vindt de rechtbank in Kadzoev, punten 45 en 47: bewaring op grond van beide richtlijnen valt onder afzonderlijke regelingen.
  • Na essentiële wijziging niet meer “hetzelfde” terugkeerbesluit (r.o. 11-13.1). Door de aanvulling van 14 oktober 2024 is een essentieel punt gewijzigd; daarna is er geen sprake meer van één en hetzelfde terugkeerbesluit. De bewaringsperioden in 2022, ter uitvoering van het oorspronkelijke besluit, tellen dus niet mee. De zes maanden zijn niet verstreken; een verlengingsbesluit was niet nodig.
  • Uitkomst. Beroep ongegrond. Volgens de uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Arnhem: bij M120 afweging alle cumulatieve bewaringsperioden

Rb. Den Haag | Arnhem (meervoudige kamer) | 04-05-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:10675 | NL26.19810 | Vreemdelingenbewaring (art. 59b lid 1 Vw), vervolgberoep na opheffing | Beroep ongegrond

Feiten en overwegingen

Eiser zat van 2 tot 6 oktober 2025 in 59b-bewaring en van 6 oktober 2025 tot 13 januari 2026 in bewaring op grond van artikel 59 lid 1 onder a. Op 13 januari 2026 volgde een 59b-maatregel, eerder getoetst op 30 januari 2026 (RBDHA 2026:1628). Na een kennisgeving van de minister van 8 april 2026 (meer dan 75 dagen sinds het beroep), aangemerkt als beroep (art. 94 lid 1 Vw), hief de minister de 59b-maatregel op 16 april 2026 op en legde hij een nieuwe maatregel op grond van artikel 59 op; die ligt niet voor (r.o. 3). Beoordeeld wordt de periode vanaf 27 januari 2026 (r.o. 2).

  • Geen kenbare belangenafweging na zes maanden bij 59b (r.o. 4-6). Paragraaf A5/6.8 Vc 2000 gaat over bewaring op grond van artikel 6 of 59 Vw. Bij een verlengingsbesluit blijven 59a- en 59b-periodes buiten beschouwing, maar zij worden wel betrokken bij de kenbare belangenafweging in model M120 na zes maanden. De rechtbank leest het beleid zo dat die afweging alleen bij een maatregel op grond van artikel 59 hoeft; 59a en 59b kennen eigen, kortere termijnen.
  • Aroja niet van toepassing op 59b (r.o. 6.1-10.1). Aroja gaat over het verlengingsbesluit van artikel 15 lid 6 Terugkeerrichtlijn, niet over de kenbare belangenafweging. Artikel 59b implementeert artikel 8 Opvangrichtlijn; Aroja is daarom niet relevant voor een vreemdeling die niet op grond van de Terugkeerrichtlijn in bewaring zit. Verder dezelfde redenering als in de zaak hierboven (punt 58, Kadzoev).
  • Uitkomst (r.o. 12-15). Ook de grond over voortvarendheid faalt: bij bewaring op grond van artikel 59b is de minister niet gehouden voortvarend uitzettingshandelingen te verrichten, omdat sprake is van rechtmatig verblijf en uitzetting niet aan de orde is (r.o. 13, met verwijzing naar RVS 2018:4011); de minister stelde onweersproken dat de noodzakelijke uitzettingshandelingen al waren verricht in de periode 6 oktober 2025 tot 13 januari 2026. Beroep ongegrond, schadevergoeding afgewezen, geen proceskosten. Volgens de uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Arnhem: in nieuwe (verlengde) maatregel afweging proportionaliteit

Rb. Den Haag | Arnhem | 04-05-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:10528 | NL26.22118 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw) | Beroep ongegrond

Feiten en overwegingen

Dezelfde eiser als in de vorige zaak; de uitzetting is gericht op Algerije. Dit is de maatregel op grond van artikel 59 die op 16 april 2026 volgde op de opgeheven 59b-maatregel. Zitting 28 april 2026, eiser via beeldverbinding. Enkelvoudige kamer, op dezelfde dag als en met verwijzing naar de meervoudige kamer.

  • Kenbare belangenafweging: wel 59b-periodes meetellen (r.o. 2.2-2.3). Bij een maatregel op grond van artikel 59 moet de minister een kenbare belangenafweging maken als de bewaring langer duurt dan zes maanden; daarbij tellen de periodes op grond van 59a en 59b wel mee. Eiser zat al meer dan zes maanden vast. Omdat het om een eerste beroep tegen een maatregel met een nieuwe grondslag gaat, hoort die afweging in de maatregel zelf, niet in een M120. De stelling dat de afweging al op 2 april 2026 had moeten plaatsvinden, faalt.
  • Afweging volstaat (r.o. 2.5). De minister wees op het onttrekkingsrisico, het niet-meewerken (geen gebruik van EURP, IOM of een NGO; geen wil om naar Algerije te gaan), het ontbreken van bijzondere omstandigheden en de medische dienst in het detentiecentrum.
  • Geen verlengingsbesluit nodig (r.o. 3-3.3). Voor de maximale duur van artikel 15 Terugkeerrichtlijn tellen de 59b-periodes niet mee. De periodes op grond van artikel 59 (6 oktober 2025 tot en met 13 januari 2026, en 16 april tot en met 28 april 2026) komen samen op 113 dagen.
  • Zorgvuldige voorbereiding (r.o. 4-4.4). Bij een omzetting moet de minister opnieuw proportionaliteit en subsidiariteit onderzoeken, maar dat kan in een gehoor waarin de vreemdeling nieuwe omstandigheden kan noemen. Een verwijzing naar het vorige gehoor en een vrijwel gelijke motivering maken de maatregel niet onzorgvuldig. Over medische zorg in het detentiecentrum kan eiser klagen.
  • Uitkomst. Beroep ongegrond.

Noten

Trending

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder