Rb. Den Haag | Rotterdam | 07-05-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:15873 | NL26.24030 | Vreemdelingenbewaring (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw) | Beroep gegrond

Feiten en procesverloop

Eiser heeft de Bulgaarse nationaliteit en beschikt over een geldig Bulgaars identiteitsbewijs (r.o. 8). Zijn strafrechtelijke detentie begon op 20 maart 2026. Op de registratiekaart van DJI van 23 maart 2026 stond 1 mei 2026 als einddatum; de detentie eindigde feitelijk op 28 april 2026 (r.o. 3-4). Op die dag legde de minister de maatregel op. Zitting 6 mei 2026. Eiser stelt dat de minister tijdens de strafrechtelijke detentie niets heeft gedaan om vreemdelingenbewaring te voorkomen (r.o. 2).

Overwegingen rechtbank

  • Kader (r.o. 1). Volgens paragraaf A5/6.12 Vc 2000 moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat een vreemdeling na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring komt. Die inspanningsverplichting geldt niet als niet duidelijk is wanneer de vreemdeling vrijkomt (RVS 2018:17).
  • Einddatum voldoende duidelijk (r.o. 3-5). Dat de datum op de registratiekaart niet klopte, ontslaat de minister niet van zijn verplichting. Het ging om enkele dagen, terwijl de detentie al sinds 20 maart 2026 liep. Niet gebleken is van zoveel onduidelijkheid dat niet kon worden gevergd de uitzetting voor te bereiden, bijvoorbeeld met een vertrekgesprek in detentie. De inspanningsverplichting is geschonden.
  • Belangenafweging (r.o. 6). Schending leidt niet zonder meer tot onrechtmatigheid; er is ruimte voor een belangenafweging (RVS 2020:764). Dat een andere rechtbank anders oordeelde, is geen reden om van die lijn af te wijken.
  • Uitkomst van de afweging (r.o. 7-8). De minister wees op de onbetwiste gronden, het vertrekgesprek, de vluchtaanvraag van 1 mei, het vluchtakkoord van 4 mei en de geplande vlucht op 8 mei 2026. Doorslaggevend is dat de verplichting ruim een maand is geschonden, wat substantieel is, ook gezien de Bulgaarse nationaliteit. Niet duidelijk is waarom de handelingen na de detentie niet tijdens de detentie konden worden verricht. Dan was het aannemelijk dat eiser direct of kort na de detentie had kunnen worden uitgezet. De afweging valt uit in het voordeel van eiser.

Conclusie en gevolgen

  • Uitspraak: beroep gegrond; onrechtmatig vanaf de oplegging; opheffing met ingang van 7 mei 2026 (r.o. 9).
  • Schadevergoeding: EUR 1.280 (2 dagen politiecel x EUR 160 en 8 dagen detentiecentrum x EUR 120) (r.o. 10).
  • Proceskosten: EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, wegingsfactor 1) (r.o. 11).
  • Rechtsmiddel: hoger beroep bij de Afdeling binnen één week na bekendmaking.

Noten

Trending

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder